Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Vijftiende brief
Montpellier, 30 Augustus.
’s Morgens om 5 uren vertrokken wij met een koets met twee paarden, om ’er drie dagen gebruik van te maken. Het steedje of dorp St. Gilles, waar wij doorkwamen, levert niets merkwaardigs op. De weg is vrij goed doch bergachtig, en de landstreek dor en steenachtig. Hier en daar ziet men echter nog eenig bouwland en wijngaarden. Op zijde van den weg bespeurde ik op een heuveltje, een soort van kleine tafeltjes, die gemaakt waren door twee of drie steenen, die men op een gelegd had. Daar stonden ’er zoo verscheidene; en zij dienden, naar ik vernam, om de schapen zout op te laten lekken, Omstreeks ten tien uren kwamen wij te St. Martin de Londres, een naar vervallen stadje; en ik weet niet waarom het ook den naam van de hoofdstad van Engeland draagt. De herberg scheen pas opgemaakt, en zag ’er binnen en buiten gnapjes uit, en daar het zeer warm was, besloten wij op verzoek van onzen voerman, om hier wat te vertoeven en het middagmaal te houden. Terwijl men het gereed maakte, ging ik, niets beters te doen hebbende, het plaatsje eens rond. De ingezetenen schenen ijverige lieden, veelal zijden-kousenwevers; doch met dat al zag het ’er armoedig uit, vooral ook de Kerk, die men, wijl ik geloof dat men geen middelen heeft, om ze te herstellen, wel zou doen om aftebreken, ter voorkoming van ongelukken. Het akkerland, dat hier nog bij lag, zag ’er ook dor en schraal uit. Geen lommer vindende, was ik ras genoodzaakt, om mijne wandeling te staken, en zette mij bij de fontein, die voor de herberg staat, in de schaduw van een’ moerbeziënboom neder; waarschijnlijk is dit de eenige bron, die men hier omstreeks vindt; want ik zat ’er niet lang, of een menigte vee van alle kanten kwam ’er drinken; en jongens en meisjes, mans en vrouwen, hunne kruiken met water vullen; dit scheen voor die arme menschen tevens eene uitspanning te zijn. Men verleende ’er elkanderen een praatje, en vooral de jonge lieden schenen hier hun te zamenkomst (rendez vous) te hebben. Een meisje onder anderen, dat al een poosje onrustig had staan wachten; en al de overigen liet voorgaan aan de fontein, hoewel zij een van de eersten was; zag ik op eenmaal eene vrolijke houding aannemen, toen zij een’ gnappe boeren jongen, met een paar muilezels zag aankomen; nu werd de kruik spoedig gevuld, en men keerde te zamen weder terug. Toen ik mij met deze eenvoudige landlijke tooneelen vermaakte, kwam een lief wichtje, dat nog maar naauwelijks loopen kon, mij streelen, en trachtte op mijn knie te klauteren, terwijl de moeder bezig was, om aan de fontein koren te wasschen; zijn broêrtje, dat wat ouder scheen, kwam ’er bij, en stamelde mij zijn Patois voor. Die kindertjes zagen ’er gezond en zuiver uit. Hunne gansche kleeding bestond in een hemdje, en het onschuldig genoegen was op hun gelaat te lezen; ook kwamen zij in ’t geheel niet, om te bedelen; maar alleen, zoo het scheen, uit een gullen en eenvoudigen trek; terwijl ik, als een ongewoon voorwerp, hunne nieuwsgierigheid eenigzins gaande maakte. Zij hielden mij een poos aangenaam bezig; ik maakte ook zoo goed ik kon een praatje met de moeder, die mij eene goede vrouw scheen te zijn; en hoe onbevallig anders het plaatsje ook was, de tijd viel ’er mij niet lang. Het eten was voor den prijs vrij wel, en om één uur vervolgden wij onzen weg, die altijd door een’ dorren berg en rotsachtige landstreek loopt, tot op eene hoogte een kwartier van St. Bausille; hier begint de bevallige natuur de nieuwsgierige reizigers voor hunne moeite te beloonen.—Men ziet eene heerlijke schilderij in het dal, waarin dat steedje ligt voor zich, welke door de schielijke verandering des te aangenamer treft. St. Bausille heeft weinig aanzien, doch armoedig zag het ’er niet uit, en de meeste menschen zaten aan de deur zijde te haspelen of op strengen te winden. De boorden van het riviertje l’ Hérault langs rijdende, kwamen wij omstreeks vijf uren te Ganges; men rekent deze plaats omtrent acht uren gaans van Montpellier, en daar men schier aanhoudend op en afklimt, kan men doorgaans ook al niet anders dan stapvoets rijden. Wij traden hier af aan de herberg het witte kruis (la Croix Blanche), en gingen het stadje bezigtigen, dat mij wel beviel, zijnde ruim en vrolijk gebouwd; de huizen zien ’er wel onderhouden uit, en men kan duidelijk zien dat hier ijver en goede orde heerschen; ’er is ook een cours of gemeene wandeling, en nog een regte breede straat aan beide zijden met boomen beplant. Pracht of grootheid bespeurt men ’er niet; alles heeft een eenvoudig, doch net en bevallig voorkomen.—Dit kon men misschien ook eens van ons Vaderland zeggen, en toen ging het ons wel.—In de Roomsche Kerk ziet men zoo weinig opschik, dat, indien ’er geen altaar stond, men zou meenen in eene Protestantsche Kerk te zijn; tot welk Kerkgenootschap het grootste gedeelte der ingezetenen dan ook behoorde. Ik ging hunne Kerk zien, die voor de omwenteling aan een Klooster toekwam. De Predikantsvrouw, die ik hier sprak, en die zeer vriendelijk was, verhaalde mij, dat deze Kerk veel te klein zijnde voor de gemeente, men reeds een ontwerp gemaakt had, om die te vergrooten; de grond, die ’er bij behoorde was groot genoeg, en ik merkte wel, dat het aan geen geldmiddelen zal haperen; ook zijn hier onder de Protestanten verscheiden bemiddelde lieden.
Den 29 ’s morgens om 6 uren reden wij naar le Vigan, een ander stadje in deze landstreek; men volgt de boorden van l’Hérault, die tusschen twee ketens bergen al ruischende doorstroomt;—grootsche gezigten of ontzaggelijke vertooningen levert de natuur hier niet op; alles is lief en bekoorlijk, en om zoo te spreken, meêr onder het bereik van den mensch. De bergen zijn groen; hier en daar ziet men een woning, overal treft men castanje-, moerbeziën en andere boomen; de Natuur had hier haar lentegewaad nog aan, en het groen zag ’er zoo jeugdig uit, als bij ons in de maand Mei. Een half uur van Ganges, aan den anderen kant van het riviertje, ligt het buitengoed van den Heer Mejan; eer men daar komt, ziet men aan dien zelfden kant, tusschen twee rotsen, in een ander riviertje, dat zich hier met l’Hérault vereenigt, over een dam van steenen, die ’er inligt, een kleinen waterval rollen. Onze waardin had ons geraden, om, hoewel wij den Heer Mejan niet kenden, of geen brieven aan hem hadden, hem evenwel vrijelijk een bezoek op dit zijn buitengoed te gaan geven, met verzekering, dat wij ’er wel zouden ontvangen worden, en wel te vreden zijn over de ligging van dat verblijf. Wij gingen ’er dan ook heen. Over den berg, waarop het gelegen is, kan men met het rijtuig door het riviertje rijden, en van daar klommen wij te voet op de hoogte, langs een kronkelpaadje, aan beide zijden met moerbeziën en andere boomen beplant, welke door kleine beekjes aanhoudend besproeid worden, en daar door een verwonderlijk frisch en tierig aanzien hebben; de uitwaseming van duizende geurige planten en bloemen, die hier in het wild groeijen, overtreft al, wat de reukwerk-kramers van Montpellier in hunne winkels hebben. Aan den ingang van eene lommerrijke laan, die naar het huis geleidde, zagen wij een kloek man aankomen, met een buisje en lange broek aan, een ronde witten hoed op, en een wandelstok in de hand—het was de Heer Mejan zelf, voornemens zijnde, om zijne arbeiders te gaan bezoeken; ik gaf hem ons voornemen te kennen, en hij ontving ons op de gulste en vriendelijkste wijze; en hoe zeer wij hem verzochten, om zich om onzenwille niet op te houden, hij wilde ons zelf in zijne tuinen en verrukkelijke boschjes rond leiden. Achter ons aan het eind van de laan, die zich als een groen gewelf vertoonde, en regt over den ingang van het huis is een fraaije waterval, die door een bron, die hooger op de rots ontspringt, altijd van water voorzien wordt, en dus onophoudelijk loopt. Toen wij ons weder omkeerden, had men intusschen een kraan geopend, waardoor wij, door het huis heen, aan den anderen kant van hetzelve een schoonen watersprong tegen de zon zagen, terwijl de rotsen aan den anderen kant van het riviertje, waar men den straal water tegen zag, nog niet door de zonnestralen verlicht waren; dit deed eene fraaije uitwerking. Eer wij verder gingen, gaf de gastvrije Mejan aan zijn’ knecht last, om een paar flessen wijn in een koele bron te zetten, en wat vruchten enz. in gereedheid te houden, zeggende tegen ons: “Gijlieden hebt zekerlijk nog niet ontbeten, als wij terugkomen, willen wij te zamen een stuk eten.” Zulk eene hartelijke wijze van aanbieden, duldde geen weigering; daar bij boezemde hier alles eene soort van vrijpostigheid in, die men nimmer in lusthoven of paleizen der gewone rijken, of bij de meesten zoogenaamde grooten gevoelt. Alles geschiedt daar, vooral wanneer zij met lieden te doen hebben, die zij niet kennen, met eene stijve wellevendheid; gebrek aan gulheid en vertrouwen straalt overal in door; alles is kunst, niets natuur.—Neen! met hun kan hij, die vrij en voor de vuist is, niet te regt; en hoe zeer onbeschoftheid zeer onaardig is, ik heb nog liever met een’ grooten lompert te doen, dan met sommige lieden, die uitermate vriendelijk en wellevend zijn; want die soort van vriendelijke wellevendheid, die wij hier aantroffen, vindt men juist niet zeer algemeen, en vooral niet in de groote steden van Frankrijk, anderzins om de beleefdheid en welvoeglijkheid zoo beroemd; en daar de vriendschapsbetuigingen, uitdrukkingen van deelneming, van medelijden, of vreugde, van dienstaanbieding en diergelijk, even eens geleerd worden als het A. B. C., waar eene wel opgevoede Dame zich te gelijker tijd bezig houdt met de klagten van eenen ongelukkigen aan te hooren, daar over tranen te storten, en eene kleeding voor het naaste bal aan hare modekraamster te bestellen, of een’ brief van rouwbeklag over het afsterven van eene harer beste vriendinnen te schrijven, en onderwijl ook de aankondiging van eene nieuwe Opera te lezen;—doch keeren wij tot de beschrijving van dien bekoorlijken lusthof weder terug.—Overal treft men hier eene verscheidenheid van schilderachtige gelegenheden aan, en zonder juist zeer sentimenteel of romanesk te zijn, is men verrukt en opgetogen bij het beschouwen van dezelve. De kunst heeft hier en daar wel wat geholpen, doch op zulk eene behoedzame wijze, dat alles genoegzaam natuur schijnt. Aan de linkerhand, eer men aan het huis komt, bewondert men een hol of nis in de rots, uit welkers bovenste gedeelte het water loodregt valt. Van boven, is deze nis bedekt door struiken van palm en klimop, die met bevallige Guirlandes langs dezelve afhangen: uit den tuin of terras achter het huis heeft men een allerliefst gezigt op de omliggende bergen en rotsen; op het riviertje en den weg langs hetzelve, en men klimt langs een eng voetpadje, aangenaam belommerd, of met bloeijende struiken, zoo als de althéa enz. ter zijde beplant, naar een aardig tuinhuisje, van buiten als een boerenhutje gemaakt; in ’t voorbijgaan ziet men een bergje, waarin eenige tamme konijnen hun verblijf houden. Vervolgens kruipt men door spleten van de rots, of men gaat door enge gangen, en over een brugje, waar van de leuningen aardig met wilde wijngaardranken door de natuur omwonden zijn, tot aan een Kluizenaarsverblijf. Van daar voortwandelende, komt men in een grot, alleen door een spleet, die in de rots is, verlicht, en welke, dunkt mij, een allergeschiktste rustplaats is voor teedere, zwaarmoedige, voor verliefde zuchtjes of gevoelvolle romançes. Dan treft men weder een kleinen vijver met helder water, waarin karpers en andere visschen, aan. Dit alles ligt tegen de helling van den berg, en de Heer Mejan verhaalde mij, dat hij in een beek aan de voet van denzelven, een menigte kreeftjes had van de soort, die hij van Vaucluse had laten komen, en in het riviertje l’Hérault vindt men zeer goede forellen. Het wild is hier ook niet schaars; olij en wijn groeit ’er in overvloed. De moestuin en vruchtboomgaard scheen wel voorzien, en de weiden, op en tusschen de bergen, voeden talrijke kudden, zoo dat het hier ook in dat opzigt zeer wel te houden is. De bronnen, die men hier op de bergen heeft, brengen het meest toe tot deze vruchtbaarheid. Uit dezelve loopt eene menigte beekjes, aan alle kanten, langs dezelve af, en bevochtigen de aarde, die op de steenrotsen ligt, zoo dat men zich geen vrolijker en levendiger wasdom kan voorstellen.—Alles boezemt hier als ’t ware genoegen en stille te vredenheid in,—alles lagcht en juicht u tegen;—en nog haperde ’er in dit jaargetij iets aan dat jeugdig en vrolijk gelaat der natuur. De vogelen zongen niet meêr. De Heer Mejan zeî mij, dat tegen den tijd, dat de natuur hier uit haar’ slaap ontwaakt, welke slaap in dit bergachtige land vrij lang duurt, het dan bijzonder levendig en vrolijk is door de groote menigte van zoovelerlei soort van vogelen, welke zich hier ophouden. Nu gingen wij ook de bronnen zelve op het bovenste gedeelte van den berg zien; het water van een derzelve was genoegzaam ijskoud, en naar men mij verzekerde van eene uitmuntende hoedanigheid; zoo dat, als men, wat meêr dan gewoonlijk gegeten hebbende, hier van een glas gebruikte, men duidelijk bespeurde, dat de spijsvertering daar door bevorderd werd. In een aangenamen koepel, aan beide zijden met ramen, en welke het voornaamste vertrek van deze, alleen voor het gerijf geschikte, woning uitmaakt, stond een ontbijt, meestal uit smakelijke vruchten, zoo als persiken, peren, druiven, en vooral ook vijgen, die ik nimmer lekkerder gegeten heb, benevens brood en wijn bestaande. Wij deden ons hier aan dan ook ter deeg te goed, want de gulhartige Mejan was niet te vreden dat wij slechts proefden, wij moesten eten, ter deeg eten. Hij verhaalde ons, dat hij vooral met een zijden kousen-fabriek, die hij te Ganges had, een aanzienlijk vermogen had gewonnen, doch al eenige jaren geleden den handel had vaarwel gezegd, en aan zijne kinderen overgelaten; dat hij sedert altijd buiten woonde, en zich alleen met den landbouw, en het bestuur van zijne landgoederen, die zeer uitgestrekt zijn, bezig hield; dat hij dit aangenaam verblijf, dat bij zijne Hermitage noemde, zelve had aangelegd, en voor een groot deel beplant; zijnde verpligt geweest, om hier en daar eene aanmerkelijke hoeveelheid aarde op de rots te laten brengen. Hij zei, dat hij veel van de Hollanders hield; nu, hij gaf ons daar ook een blijk van, en om de maat van zijne vriendelijkheid vol te meten, noodigde hij ons, om ’s avonds in het terug komen, andermaal eenige ververschingen bij hem te nemen, en om onze landgenooten en andere reizigers, die deze streek mogten komen zien, te verzoeken, van hem niet voorbij te gaan. Hoe zeer wij zulks trachtten te beletten, geleidde ons de goede man in het heen gaan, langs een ander voetpadje als wij gekomen waren, een eind weegs den berg af, tot daar hij ons den weg, dien wij te houden hadden, kon aanwijzen, en hier drukte ik hem met aandoening en hartelijke tevredenheid de hand, waarschijnlijk om hem nooit weder te zien.—Deze plaats wordt Toumeol genaamd, wat deze naam beteekent weet ik niet, maar wel dat men moeijelijk een naam zou vinden, waar door het zielstreelende van dit oord genoegzaam wordt uitgedrukt. De ouden zouden het buiten twijfel voor een verblijf der Nimfen, of goede toovergodinnen gehouden hebben; en had Mahomet het gezien, hij zou ’er zekerlijk zijn Paradijs naar geschetst hebben.
Beneden aan den berg, deed zich nog een bekoorlijk groepje op, tegen de helling naast een klein beekje, lagen twee engelachtige half naakte kindertjes, waar van het oudste drie of vier jaren kon bereiken, in het midden van eenige schapen en geiten, waarop zij achteloos leunden: de grond was hier met kruiden en bloemen overdekt, en zij werden door eenige lommerrijke boomen beschaduwd—het was een allerliefst arkadisch landschapje. Ik wilde de kleine herders eenige stuivers geven, doch, ô gelukkige onschuld! zij schenen geen geld te kennen, althans het werd niet aangenomen, en een kus was dezen nog onbedorvene schepseltjes veel liever.
Omtrent een kwartier van het buitenverblijf van den Heer Mejan, naar den kant van le Vigan, ligt een brug op het riviertje, en daar bij een roodachtige rots, die buiten de andere bergen uitsteekt en eene aardige vertooning maakt. De weg is goed, loopende altijd zich meerder of minder verheffende langs de l’Hérault, waarin men hier en daar kleine watervallen en bruisingen ziet, door de brokken steen, die het water ophouden, veroorzaakt. Ieder oogenblik is men verrukt door de onderscheidene schilderachtige liggingen,—rotsen met boomen en frissche kruiden bedekt, hier en daar een woning op de hoogte, in het flaauwe verschiet, aan de helling van een’ heuvel, half tusschen de struiken verscholen, of in de diepte aan de boorden der rivier,—daar op den weg sommige muilezels met hunn’ geleider,—ginds eenig rundvee en schapen in een eng dal weidende,—ontzaggelijke brokken rots, zoo het schijnt nog maar pas van boven neder in het riviertje gerold, en hier en daar zware castanjeboomen, die den weg belommeren. Onder alle deze voorwerpen heerscht, door de verschillende gedaanten en liggingen der bergen, eene verscheidenheid van schaduw en licht, die allerbevalligst is. Men schijnt hier, door zoo vele steile bergen van de verkeerde en bedorven maatschappij afgezonderd; niets doet zich op dat het denkbeeld daar aan opwekt, geene paleizen, geene Heeren of Juffrouwen, geene kostbare rijtuigen, liverijen, of al diergelijke dingen, waarvan een redelijk denkend mensen walgt; want deze landstreek wordt door de grooten weinig bezocht, en ’er loopt geen groote of Postweg door.
Omstreeks elf uren kwamen wij te Vigan, drie uurtjes van Ganges afgelegen, en stapten af aan het Hotèl du Cheval vert. Die herberg zag ’er hier in ’t geheel niet zindelijk uit, maar het was, naar men ons gezegd had, de beste, dus bestelden wij ’er den maaltijd. De Roomsche Kerk is ook uit en inwendig zeer eenvoudig; de Protestantsche was niet open. Hoewel het zeer heet was, gingen wij de bron, een kwartier uurs van hier, bezoeken; zij heeft niets bijzonders dan zeer helder en lekker water. De gemeene wandeling is met een aantal ongemeen zware castanjeboomen beplant; zij staan zonder order door elkander, en maken een klein maar aangenaam en bevallig woud. Het is hier in de schaduw van dat digte lommer, vooral in dit jaargetij, op dezen tijd van den dag, regt vermakelijk, om wat te rusten. Het stadje beviel mij zoo wel niet als Ganges, het is zoo goed niet bebouwd, en ziet ’er slordiger uit. De bevolking verschilt niet veel, in het eene zoo wel als in het andere telt men omtrent 4000 inwoners. De zijden-teelt en zijden-kousenweverijen zijn hier ook de voorname kostwinning. Le Vigan behoorde voorheen tot het landschap d’Alais, en thans tot het Departement du Gard: de Onderprefect houdt ’er zijn verblijf, en daar is een regtbank. Het riviertje l’Arre stroomt ’er langs, en van een steenen brug die hier over hetzelve ligt, heeft men een schilderachtig gezigt. Eenige Engelsche huishoudens, die krijgsgevangenen zijn, hebben verlof, on hier den zomer doortebrengen; aan hunne rijtuigen en paarden te zien, schenen het rijke lieden te zijn; ook verteerden zij, naar ik vernam, nog al wat, en dit gaf in dit plaatsje een meêr dan gewoon vertier. Voor den gewonen prijs aten wij in onze herberg tegen verwachting vrij wel. Trouwens het was ook uit dezelfde keuken, waar de Engelschen uit schaften: het eten werd hun van hier gebragt. Na den maaltijd reden wij weder terug. Voor het verrukkelijke buitenverblijf van den Heer Mejan hielden wij stil, om nog eens de alleraangenaamste ligging van hetzelve te bewonderen; het is een groen Amphithéater, de treurwilligen die boven op en tegen de helling van den berg staan, en met lange takken langs denzelven afhangen, maken ook een aardige en eenigzins vreemde vertooning, om dat die boom in de laagte t’huis hoort; doch hier tiert zij door de menigte beekjes en stroomtjes ook zeer weelderig op de hoogte. Ik had onder weg ook opgemerkt, dat men hier en daar boekweit teelde; iets, dat ik in het gedeelte van Frankrijk, dat ik doorreisd heb, en vooral in het zuiden, weinig of niet zag. Castanjes levert deze landstreek in menigte op.
Te Ganges terug gekomen, gingen wij in de fabriek van Mejan eenige paren zijden-kousen koopen. Het huis is groot, en ziet ’er gnap, maar in ’t geheel niet prachtig uit, en in de magazijnen kan men zoo wel één paar, als eenige honderde dozijnen paren zijden-kousen krijgen. Wij vonden ’er twee kleinzonen van onzen vriendelijken gastheer, die ook zeer geschikte jongelieden schenen te zijn. Dit huis drijft een’ zeer uitgebreiden handel, en heeft zelfs een Kantoor te Cadix; algemeen zijn zij bekend als zeer eerlijke lieden, met wien het goed te handelen is, en die daardoor en door hun aanzienlijk vermogen een uitgebreid krediet hebben; zij behooren, aan zoo vele honderde handen werk verschaffende, tot de voorname steunen van deze en omliggende plaatsen, en schijnen door hunne medeburgers zeer bemind te zijn. Zoo gij die goede lieden door aanbeveling, of anderzins, eenigzins dienst kon bewijzen, Vriend! zulks zou mij bijzonder aangenaam zijn; want zij verdienen het, en hebben billijke aanspraak op de achting van vreemdelingen, om de gulle vriendelijkheid, waarmede zij dezelven ontvangen, zijnde hunne gastvrijheid, naar men mij verzekerde, in dit opzigt algemeen. Raad dan ook ieder van uwe kennissen, die hier naar toe mogt reizen, gerust aan, om een bezoek op het landgoed van Mejan te gaan afleggen.
Daar het nog vroeg genoeg was om een wandeling buiten het stadje te doen, ging ik de steenen brug die hier over l’Hérault ligt over, en zag ter zijde op den muur van dezelve eene waterleiding (Aquaduc) gemaakt, dienende om het water uit eene bron aan den overkant van de rivier, op een’ zekeren afstand gelegen, in de stad te brengen; doch drie weken geleden was een gedeelte van het metselwerk ingevallen en nog niet hersteld. Ik wandelde langs de rivier en klom tusschen beiden eens op een heuvel tot den avond begon te vallen. Van verre deed zich het geluid van de bellen der schapen, en het vee, dat men naar den stal dreef, als een’ klokkenspel hooren, en dan hoorde ik al eens een boerenmeisje of knaap een liedje in het Patois zingen, terwijl zij de paarden of het vee naar de rivier leidden, om te drinken. Ik had hier, dunkt mij, met genoegen eenige dagen doorgebragt; doch dat kwam met ons reisbestek niet overeen.
De vrouwen dragen hier veelal zwarte zijden-hoedjes met eene kant ’erom, zoo als bij ons de dienstmeisjes. Een praatje makende met de vrouw uit onze herberg, vernam ik, dat zij tot de Protestanten behoorde; dat die hier met de Roomschgezinden in goede verstandhouding leefden, en zelfs veel onder elkanderen trouwden; als mede dat de vrouw van den Predikant eene Hollandsche was, doch uit welke plaats en hoe genaamd, wist zij mij niet te zeggen.
Den 30 dezer ’s morgens om 5 uren vertrokken wij van Ganges. De morgenstond was frisch en aangenaam. Een half uurtje van daar komt men door een dorpje le Roc genaamd; een oud kasteel ligt daar tegen een rots, die zich als een pyramide vertoont, van hier denkelijk de naam van (le Roc) de rots. Wat verder op, aan den anderen kant van het riviertje, ziet men de punt van een rots, van verre gelijkende naar een oud colossaal beeld van een Bisschop met een mijter op. De rotsen, die hier vrij hoog zijn, en sommige een kegelvormige gedaante hebben, zijn meest zamengesteld van steenen, die laagsgewijze op een liggen, of van een soort van schaliesteen. De natuur is hier meêr grootsch en majestueus, dan aangenaam en liefelijk.—Verder koomende, ziet men eene steile rots, als de muren van een oud kasteel. Hier en daar schijnen ’er gaten of spelonken in te zijn,—nu daalt de weg, die eenigen tijd vrij verheven was boven de rivier, in een aangenaam dal af. Hier ziet men vele moerbezienboomen; vervolgens komt men in het dorp St. Bausille. De straten zijn ’er zoo naauw, dat twee rijtuigen ’er elkanderen met geen mogelijkheid zouden kunnen voorbij komen. Buiten dit dorp klimt men eenen redelijk hoogen berg op; van daar ziet men achter zich het dorp in een alleraangenaamst groen dal, en het riviertje l’Hérault, dat men daar verlaat, ’er doorkronkelen. Op zulke plaatsen beklaag ik mij altijd van niet genoeg te kunnen teekenen; want diergelijke schoone schilderijen wenschte ik mij daar door dikwijls voor te kunnen stellen.—Hier hoort men het water nog liefelijk ruisschen, doch welhaast mist men geheel de bekoorlijke boorden van de Hérault, en het lagchende groen van dat gedeelte der Cevennes.—Men daalt af, om weder een’ hoogen berg langs kronkelwegen op te klimmen. Daar het redelijk koel was, gingen wij meest te voet. Aan een heester langs den weg staande, vond ik eenige gewassen die ik voor een soort van kleine appelen hield; zij waren even als die geelachtig, en aan den eenen kant rood; hoe verwonderd was ik van dezelve doorbreekende, te vinden dat zij vol waren van een soort van kleine gevleugelde insekten, die door elkanderen krielden; zij hadden veel overeenkomst met de plantluizen, die men bij ons onder de bladeren van de aalbeziën vindt. Op de rotsen hier rondom groeit veel palm, die de landlieden meest gebruiken, om te branden. Te St. Martin de Londres lieten wij ons wat eten klaar maken, en aten ’er onder anderen witte truffels, die men hier omstreeks veel vindt; zij kwamen mij zoo goed niet voor als de zwarte. Men rekent van hier tot Montpellier nog omtrent 4½ uur; de vrolijke gezigten houden geheel op, de landstreek is dor, en hier en daar ziet men hooge en steile rotsen. Een half uurtje van Montpellier ontdekt men reeds de Aquaduc van verre; hier en daar aan den weg staan steenen palen; onze voerman zeide, dat de pijpen of buizen tot die waterleiding behoorende, en waar door het water van de bron wierd aangevoerd, hier onder doorliepen. Omstreeks vijf uren na den middag waren wij te Montpellier terug.—’s Nachts viel ’er zware donder en regen.
Den 31 dezer, ’s morgens op de markt gaven de koopvrouwen in visch, groentens, enz. vrij luidruchtig en in geen zeer bescheiden uitdrukkingen, hun misnoegen te kennen, over een besluit (arrète) van het Gouvernement, waarbij eenige kleine munten, waar de stempel af gesleten was, buiten omloop werden gesteld. Op deze markt ziet men een zeer fraaije fontein in een nis tegen een muur; boven op staan twee eenhoorns en een kindje, houdende een’ wapenschild en een laurierkrans; op het voetstuk wordt een veldslag en basrelief verbeeld, waaronder men leest: Bataille de Clostercamp1; boven de nis is een wapen (trophée), en dit alles is van marmer en in een fraaijen smaak gemaakt. De Maarschalk de Castries Gouverneur te Montpellier zijnde, werd deze fontein ter zijner eere opgerigt. Het gebouw, dat men de beurs noemt, schijnt oorspronkelijk een Kerk of Kapel geweest te zijn; men bedient ’er zich weinig van, want de Koophandel is hier van geen groot aanbelang.
Te Montpellier wordt veel koperrood of eigenlijk koperroest gemaakt; gedurende een’ geruimen tijd deed men dit bijna nergens anders, wanende, dat de kelders alhier ’er bijzonder toegeschikt waren, doch thans wordt het ook op verscheidene andere plaatsen gemaakt; de bewerking is zeer eenvoudig. Men plaatst in een aardepot boven wijn, die men aan het gisten maakt, laagsgewijze met verdroogde druiventrossen, en tusschen verscheidene plaatjes koper, die door de uitwazeming van den wijn aan het roesten raken; opgedroogd zijnde, schraapt men ’er dit roest af, en dat is het koperroest. Zoo gij het omstandiger weten wilt, lees dan Chaptal Elemens de Chimie. Zonderling is het, dat vrouwen hier meest met dien arbeid, die om het vergiftige met zeer veel omzigtigheid moet geschieden, belast zijn. Men fabriceert hier ook de Cremor Tartari.
Het schijnt ter dezer plaatse niet ongezond te wezen, mits men zich behoorlijk in acht neemt opzigtens de kleeding; want het weder kan ’er, even als bij ons, zeer ongestadig zijn.
Montpellier is zijn opkomst verschuldigd aan het verval van het oude Maquelone. Het gedeelte van Neder-Languedoc, waarin deze stad gelegen is, werd oudtijds door de Volces-Arecomiques bewoond. De inwoners worden voor levendig en werkzaam van aard gehouden; de huishoudens, naar men zegt, leven veel op zich zelve, en de gezellige verkeering heeft hier minder dan in andere steden plaats. De religiegeschillen, die hier ook vele rampen veroorzaakten, gaven daar misschien wel aanleiding toe. Hunne gastvrijheid omtrent de vreemdelingen is ook niet beroemd; en zelfs een Languedoc’s spreekwoord, doet den ongezelligen aard van die van Montpellier kennen2. Deze Stad is thans de Hoofdplaats van het Departement de l’Hérault; zij is de geboorteplaats van verscheidene mannen van naam, zoo als de in de Natuurlijke Historie der Visschen ervaren, Guillaume Rondelet, die ’er in 1507 geboren werd; Pierre Magnol, kruidkundige, in 1638; Louis Bertrand Castel, wiskunstenaar, in 1688; de bekende Tooneeldichter Brueijs, van wien wij ook eenige stukken in het Hollandsch overgezet hebben3, en meêr anderen. Cambacères in de geschiedenis van de omwenteling van Frankrijk, en vooral als tweede Consul bekend, thans groot Kanselier met den tijtel van Prins, is ook van Montpellier.
Over onze herberg l’Hotel du Midi, waren wij ongemeen wel te vreden; het is ’er gnap, en men eet ’er zeer goed aan de gemeene tafel in een ruime en fraaije zaal. Wij hadden hier niet minder lekkeren zeevisch dan te Marseille, onder anderen goede versche tonijn, en zeer groote schelvisschen. Voor een kamer met twee bedden, van waar men een gezigt had tot in de Middellandsche Zee, betaalde ik 40 sols daags. Morgen voor den middag reizen wij naar Toulouse.
1 De vermaarde slag van Kloosterkamp viel voor in het laatst van het jaar 1760. De Franschen, na lang half naakt, zoo als zij uit de tenten kwamen, gevochten te hebben, behaalden eindelijk de overwinning.
2 Dit spreekwoord, in het Patois van Languedoc luidt: Couvit de Mouspéiè, couvida à l’escaiè; dat is, noodiging van Montpellier op den trap gedaan.
3 De Advokaat Patelein is onder anderen van Brueijs.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
