Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Zestiende brief
Toulouse, 4 September.
Den 1 dezer ’s morgens om 3 uren, namen wij de reis naar deze plaats aan, met den postwagen, die van Avignon op Toulouse rijdt, en hier het eerste nachtverblijf houdt.
In het begin is de weg tamelijk effen. Van de hoogte, bij het dorp Vougide, heeft men een schoon gezigt op een soort van meer, l’Etang de Thau genaamd, de zeehaven van Cette, en de warme baden van Baleruc; deze baden worden gebruikt ter genezing van zwakheden in de leden, rhumatieke pijnen enz. Frontignan, om zijn’ lekkeren witten wijn ook bij ons bekend, ligt hier digt bij. In het meer, dat vrij groot is, zag ik eenige visschers bezig; men vangt ’er veel paling. Een eindje voortgereden hebbende, komt men door het stadje Meze, waar niets bijzonders van te zeggen valt; het ligt 4 posten van Montpellier. De weg werd hier en daar verlegd, en aanmerkelijk hersteld. Vervolgens kwamen wij door Montagnac, een steedje, alwaar een Protestantsche Kerk is. Eer men te Pezenas komt, rijdt men over eene fraaije steenen brug, die over de Hérault, waar van ik u in mijn vorigen geschreven heb, ligt; dat riviertje is hier al veel breeder dan in de Cevennes, en stort zich bij Agde, omtrent drie uren van deze brug, in zee. De landstreek schijnt hier nog al redelijk vruchtbaar te zijn, en de weg is goed.
Omstreeks tien uren voor den middag kwamen wij te Pezenas aan, en stapten ’er af, om het middagmaal te houden; hebbende nu van Montpellier 6¼ post afgelegd. Met genoegen vernam ik, dat ’er tijd was, om het stadje te bezigtigen, want het zag ’er hier vrolijk en levendig uit; het was marktdag, en naar het geen ik al te koop zag, moet het hier aan allerlei soort van eetwaren niet ontbreken; ’er staan verscheidene gnappe huizen, en over het geheel heeft het hier een aanzien van welvarendheid; het maken van wollen stoffen is een voorname kostwinning der inwoners; en Pezenas moet aloud zijn, want Plinius maakt ’er reeds gewag van onder den naam van Piscena, prijzende zeer de wol, die deze landstreek oplevert.
De zoon van Cromwel, na dat hij uit Engeland gejaagd was, hield zich hier eenigen tijd op; Pezenas behoorde toen aan den Prins van Conti, die, tevens Gouverneur van Languedoc zijnde, hier een fraai Hotèl had, dat hij somtijds verkoos voor zijn verblijf. Hij bevond ’er zich toen Richard, zoon van Cromwel, onbekend (incognito) reizende, alleen en door de stad gaande, een landgenoot ontmoette, die even eens als hij uitgeweken was, en die zijn partij altijd getrouwelijk was toegedaan geweest; deze raadde hem aan, om een bezoek bij den Prins van Conti afteleggen, waar de vreemdelingen, en vooral de Engelschen doorgaans wel ontvangen werden, zonder dat men zelfs verpligt was, om zich onder zijn’ echten naam te doen kennen. Richard liet zich dan door zijn’ vriend geleiden, die hem bij den Prins aandiende als een Engelsch edelman, die door deze stad reisde om zich naar Italië te begeven. Conti ontving hem beleefdelijk, en over den toestand van Engeland sprekende, zeide hij onder anderen, dat, hoewel hij ’er ver af was, om het gedrag van Olivier Cromwel te billijken, hij echter, regt doende aan zijn dapperheid, groote bekwaamheden en diep doorzigt, bekende, dat hij waardig was, om te gebieden; maar, voer hij voort: hoe is het mogelijk dat hij zoo een dwazen zoon had.—Die Richard, die schoft, die bloodaard, was toch wel het verachtelijkste schepsel van den aarbodem,—wat is ’er van dien zot toch geworden? Richard, die zulk een onthaal in ’t geheel niet verwachtte, was verlegen wat hier op te antwoorden; doch zorgde wel, om zich niet bekend te maken.
Wij aten hier vrij wel, en onder anderen goeden zeevisch. De landsdouw aan den anderen kant van de stad, beviel mij niet minder dan aan dien, daar wij ingekomen waren. Na 1¼ post gereden te hebben, verwisselden wij van paarden, op een plaatsje genaamd la Begude de Jordy. Het is allerliefst gelegen, ’er staat zeer veel hout, waar onder schoone en weelderig groeijende opgaande boomen; voor het posthuis is een fraaije altijd water gevende fontein, en digt daar bij een aangename tuin, waarin onderscheidene vruchten zeer wel schenen te groeijen; ik was verwonderd over de bevallige vruchtbaarheid van dit oord, waar van de grond in hoedanigheid veel van de gewone gronden hier omstreeks schijnt te verschillen; men zeide mij ook, dat dezelve voor het houtgewas inzonderheid beroemd was;—wat verder wordt de weg zanderig. Bij Bezier is de landstreek aangenaam, en deze stad doet zich niet onbevallig op; ’t was omtrent vijf uren na den middag, toen wij hier aankwamen; men rekent Pezenas en Bezier op 2¾ post. Ons nachtverblijf was hier bepaald, dus hadden wij den tijd, om de stad te zien. Zij is zeer oud, en het blijkt uit eenige oudheden, die ’er gevonden zijn, dat hier eene Romeinsche Volkplanting bestond, en dat zij bekend was onder den naam van Julia Bitterra of Civitas Bitterensium. Wij stapten in de voorstad, waar de gewone herberg van den postwagen is, af. De steenen brug, die niet ver van daar over de rivier l’Orbe ligt en vrij lang is, overwandelende, ging ik dat gedeelte van het Canal du Languedoc, dat in die rivier uitloopt, bezigtigen; doch zag ’er niets anders dan eenige schutsluizen1; het kanaal zelve was, zoo als doorgaans in dit jaargetij, geheel droog; aan den overkant van de rivier vervolgt het verder tot bij Cette, waar het in zee stort. Paul Riquet, aannemer van deze vaart, naar het bestek van Andreossy, werd te Bezier geboren. Van daar keerde ik terug naar de stad, dat slechts een kleine afstand is; zij is op een vrij hoogen heuvel aangenaam gelegen. Wij klommen ’er op. Van den wal naar den kant van de rivier, en bijzonder van een terras, dat men de Belle Vedère noemt, heeft men een zeer uitgestrekt en allerverrukkendst gezigt op de rivier de l’Orbe, in een aangename valei stroomende, de brug over dezelve en de bergen in ’t verschiet. Dit gezigt alleen is der moeite waard, om zich aan deze plaats optehouden. De Hoofdkerk komt ook op den wal uit, en van de plaats voor dezelve heeft men insgelijks een schoon gezigt. Het is een oud, en was naar het scheen in vroegere tijden een aanzienlijk gebouw; van binnen zag ik ’er niets bijzonders. Maar ik moet u een staaltje vertellen van verregaande onverdraagzaamheid, ten opzigte van de Joden, die hier in oude tijden plaats had. De zoogenaamde Christenen hadden vrij verlof, om hunne medeburgers en anderen, tot de Joodsche Kerk behoorende, die zij ontmoetten, van Zaturdag voor Palmzondag af, tot beloken Paasschen toe, te slaan en te mishandelen; en het blijkt, dat dit nog al een soort van Kerkelijke instelling was; want de ongelukkige Israëlieten gaven een groote som gelds aan de Hoofdkerk, dat is aan den Bisschop enz. om van deze allerschandelijkste onderdrukking bevrijd te zijn.—Diergelijke afschuwelijke misbruiken, hoewel minder wreed, hadden nog tot in onze dagen plaats, vooral hier en daar in Duitschland; doch dank zij dien weldadigen wijsgeerigen geest, welke thans door vele lasterlijk uitgekreten wordt; op de meeste plaatsen zijn zij reeds afgeschaft, of worden zulks nog dagelijks gedaan.
Voor het overige levert Bezier niets aanmerkelijks op; inwendig is de stad in ’t geheel niet fraai, en hoewel nog al tamelijk uitgestrekt, bevat zij niet meer dan 12,500 inwoners, die van de voorsteden hier onder begrepen. In vroegere eeuwen moet de bevolking hier ongelijk veel sterker geweest zijn: want men leest in de geschiedbladeren, dat in het begin van de 13e eeuw, toen de ongelukkige Albigenzen zoo wreed vervolgd werden, en men zelfs kruistogten tegen hen deed, ’er in deze stad op eenen dag omtrent de 60,000 menschen omkwamen; de rampzalige slagtoffers vluchtten in de Kerken en hier vermoordde men hen ook niet alleen, maar men sloot zelfs de deuren van sommige dier gebouwen toe, stak ’er den brand in, en deed zoo alle, die ’er in waren, door de vlam omkomen—en wie was de Apostel van deze afgrijsselijke slagting?—wie anders, dan de heilige Dominicus. De vervolging der Protestanten, waarin Bezier ook rijkelijk gedeeld heeft, hebben zekerlijk ook geen goed gedaan aan de bloei en welvaart van deze ongelukkige stad. De Fabrieken en Koophandel, die ’er thans is, zijn van niet veel beteekenis; men maakt ’er zijden-kousen, een soort van bombazijn, perkament enz. als mede snuifdozen van wortel-, van palm- en olijfboomem.
Ons avondmaal was redelijk, en wij aten omtrent met 20 personen, zoo vrouwen als mannen; men was nog al vrolijk; naast mij zat een jong Amerikaan, die mij veel vertelde van den bloeijenden koophandel van dat land; hij kwam uit Holland, alwaar hij een lading Coloniale producten gebragt had, en ging naar Marseille, om ook over het aanvoeren van diergelijke goederen te handelen. Het schijnt dan of het ons Land en Amerika, even eens gaat als de schalen van een balans, naar mate dat de eene rijst, daalt de andere, met dit onderscheid echter, dat de ligtste hier omlaag hangt.
Den 2 dezer vertrokken wij ’s morgens om 4 uren. De weg was aangenaam, en de grond scheen redelijk vruchtbaar; van de hoogtens heeft men schoone gezigten, en aan de regterhand een keten hooge bergen; doch weinig boomen. Eer men aan het dorp Coursan komt, gaat men over eene fraaije steenen brug, over de rivier l’Aude, en hier omtrent begint het Departement van dien naam.
Narbonne.
Omstreeks 9 uren kwamen wij te Narbonne, 3 posten van Bezier. Deze stad is een der oudste van de Gaulen, en de eerste volkplanting, die de Romeinen aan gene zijde der Alpen vestigden, en Narbo Martius noemden2. Van het Kapitool, het Amphithéater enz. dat hier in die tijden bestond, ziet men thans niets meêr; in ’t geheel zijn ’er geen sporen van de Romeinsche grootheid en voormaligen luister meêr overig. De stad ligt nog in zijne muren en bastions, maar inwendig beteekent zij niet veel, dat mij verwondert, omdat de vaart, of Canal de la Robine, uit de rivier de Aude komende ’er doorloopt, en omtrent 1½ uur beneden de stad in zee uitkomt3. Dit dunkt mij moest den handel aanwakkeren; maar het zag ’er in ’t geheel niet tierig uit, en de vaart, waarin eenige sluizen zijn, was zelfs genoegzaam droog. Naar ik vernam, was de mond van deze vaart, voorheen de zeehaven van Narbonne, en waarin groote schepen kwamen, thans voor dezelve niet meêr bevaarbaar, door dat, de zee al meêr en meêr de kust ontweken zijnde, het daar te ontdiep is geworden4. Deze stad is in eene niet onaangename vlakte gelegen en van bergen omringd5; maar daar door is zij ook een verzamelplaats van al het water, dat ’er van rondom naar toezakt, en daar door vooral bij sterke regen vlagen onaangenaam6; doch zij staat in dit opzigt maar gelijk met het zoo hoog geroemde Parijs.
De Hoofdkerk is het voornaamste, dat ’er te Narbonne te zien is, en hier toe hadden wij tijd en gelegenheid; want ’er moest gewacht worden naar het middag eten, en het was Zondag. Wij gingen ’er dan genoegzaam met al de reisgenooten, die zich op den postwagen bevonden, naar toe, en de galante Franschen boden bij het inkomen van de Kerk aan de Dames het wijwater aan, daar ik, als hier niet aan gewoon, geen slag van had, en die plegtigheid alzoo maar agterweeg liet. Deze Kerk is, bij gebrek van geld, zoo men zegt, onvolmaakt gebleven, na dat men ’er van het laatst van de 13de eeuw, tot 1722 van tijd tot tijd aan bezig geweest was. Het koor alleen is dan maar voltooid, en daar naar te oordeelen, zou de geheele Kerk, indien zij naar evenredigheid was afgebouwd, een trotsch en prachtig gebouw geweest zijn. Het gewelf is zeer verheven, en heeft een reusachtig aanzien; voor de omwenteling zag men hier verscheidene kostbaarheden, en onder anderen een zilveren zon of praalkas, die door acht Priesters moest gedragen worden, en 600 mark zilver woog; men heeft ’er geld van geslagen. Het eene was hier verder naar het andere, en de Aardsbisschop, wiens Paleis hier ook digt bij staat, had een jaarlijks inkomen van 120,000 livres daar of daar omtrent. Toen wij ’er waren, was men bezig met de hoogmisse te zingen; het orgelmuzijk was zeer aangenaam, en de vox humana zoo natuurlijk, dat wij het onder elkander een poos oneens waren, of ’er menschen zongen dan of het alleen het orgel was. De roode marmeren kolommen, die tot het groot altaar behooren, kwamen mij fraai en kostbaar voor. Men ziet ’er nog eenige vrij goede schilderijen. Het schoone stuk van Sebastiaan del Piombo, verbeeldende de opstanding van Lazarus, dat uit deze Kerk in de gallerij van de Hertog van Orleans in het Palais Royal te Parijs is gekomen, is thans met een groot deel van die galerij in Engeland.
Wij deden een zeer goed maal in de herberg la Dorade op de kaai, aan de vaart staande; men schafte ’er onder anderen goede oesters en uitmuntenden zeevisch in soorten, waar ik mij dan ook, moetende weldra de kusten van de Middellandsche Zee verlaten, nog eens te goed aan deed. De prijs was als naar gewoonte. Van den beroemden honig van Narbonne, heb ik niet gelikt. Hij is zeer geurig zegt men, omdat de bijen veel op de thijm, rozemarijn en andere geurige kruiden, die hier omstreeks groeijen, azen. De weinige handel van deze stad bestaat in dien honig, in leder dat ’er gelooid wordt, en koren, dat uit het hooge Languedoc komt. Het getal der inwoners is, volgens de laatste telling, ruim 9000. Na den maaltijd vervolgden wij onzen weg, door een woestenij, tusschen de rotsen door, en waar naauwelijks een kruidje groeide; de gezigten echter zijn hier en daar niet onaardig. Verder op wordt de landstreek aangenamer en vruchtbaarder. Hier hadden wij ligt een ongeluk kunnen krijgen; de postillon, wat wild zijnde, had, terwijl de Conducteur op de imperiale sliep, alvorens een vrij steile hoogte afterijden, de wielen niet vastgemaakt, zoo als dit gebruikelijk is; maar reed ’er zoo hard, als de paarden maar loopen konden, af. Nu was ’er aan den voet van deze hoogte, regt over den weg, die daar draaide, een diepte, zoo dat wij, de paarden door de snelle vaart van den wagen denzelven niet kunnende houden, of den draai missende, ligtelijk van boven neder hadden kunnen storten; doch alles liep gelukkig af. Van de plaatsjes, die wij doorkwamen, valt niets bijzonders aanteteekenen; de wijngaarden, die wij hier en daar zagen, beloofden, zoo hier als elders, waar wij doorkwamen, eenen ongemeenen voordeeligen oogst. De wijnen van Languedoc, over het algemeen zwaar en geestig zijnde, stookt men daar van veel brandewijn, bijzonder aan de kanten van Montpellier en Nismes. Dit jaar heeft zulks nog veel algemeener plaats om den rijken oogst, die men voorziet, en de geringe verzending over zee, door de ongunstige tijdsomstandigheden; want anders krijgen wij en de Engelschen over Bourdeaux ook ons aandeel van die wijnen. Hier en daar heeft men aangename gezigten.
De zon begon den gezigteinder te naderen, toen wij te Carcassone kwamen. Eerst komt men door de oude stad, die men la Cité noemt, en die, zoo veel ik in ’t voorbijgaan zien kon, wel oud en onoogelijk is; men ziet ’er nog de overblijfsels van een oud Kasteel, op eene hoogte gelegen. Ook staat hier de Hoofdkerk, waar in de opperste van die bloed- en roofgierige vervolgers der Albigensen, Simon Graaf de Montfort begraven is; hij stierf in 1218. Dit gedeelte van Carcassone meent men dat de plaats is, waar oudtijds het Carcassum Tectosagum bestond, dat een gemeenebest was onder de Tectosaquense Volsques, en welk gemeenebest met meêr andere landen hier omstreeks, onder de beheering der Romeinen geraakte. Van hier klimt men af tot aan de rivier de Aude, en komt vervolgens over eene fraaije steenen brug in de laage of nieuwe stad, die ruim en regelmatig gebouwd schijnt. Wij reden, langs eene aangename en lommerrijke gemeene wandelplaats, tot aan een herberg buiten de stad staande, alwaar wij ons nachtverblijf moesten houden; het zag ’er hier vrij wel uit. Carcassonne en Narbonne is 7½ post. Terwijl het nog schemerlicht was, ging ik de stad, waar van de poort over de herberg was, in, en zag in het midden van een vierkante plaats, rondom met boomen beplant, eene fraaije fontein, waarop het beeld van Neptunus op zijn’ zeewagen. Deze stad zou mij, wat de ligging en het uiterlijk aanzien aanbelangt, wel bevallen; het schijnt ’er zeer levendig en welvarende; welke bloei men aan de aanzienelijke laken-fabrieken, waar van niet alleen de ingezetenen, maar zelfs vele hunner naburen leven, moet toeschrijven. Carcassonne is de hoofdplaats van het Departement de l’Aude, men begroot de bevolking van die stad op 10,400. De rivier, hier tamelijk breed, is niet minder aangenaam, dan voordeelig. De wandelingen en gezigten, op de brug en aan de oevers zijn allerliefst. Met den Zondag avond zag ik daar veel menschen. Het Canal, of de vaart van Languedoc, stroomt ook niet ver van Carcassonne, het geen insgelijks van belang is voor haar handel en fabrieken.
Den 3 dezer waren wij weder om 4 uren op reis, om ’s avonds te Toulouse te zijn. Over onze herberg waren wij wel te vreden, en betaalden den gewonen prijs.
Te Castelnaudary, 4½ post van Carcassonne, en waar men ook van paarden verwisselt, vertoefde de wagen een poosje, om ons tijd te geven tot ontbijten; intusschen ging ik de kom (le bassin), van de vaart van Languedoc, die hier digt bij ligt, bezigtigen. Het is een vrij groot water7, en dat bovenop een hoogte, want dit is het hoogste gedeelte van de vaart van Languedoc tusschen de twee zeeën; men heeft ’er daarom de verzamelplaats gemaakt van al het water, dat men rondom heeft kunnen opvangen, en dat uit den grooten vijver (reservoir) van St. Terriol, ook hier omstreeks liggende, in deze kom, die men le bassin de Naurouze noemt, gebragt wordt; van waar het vervolgens door sluizen aan den eenen kant in de vaart, naar de Garonne, en vervolgens naar den Oceäan, en aan den anderen kant naar de Middellandsche Zee loopt; deze weg werd aangewezen door een bron, die op deze hoogte ontsprong, en waar van het water ook Oost en West liep. Deze kom levert hier een aardig en gansch niet onaangenaam gezigt op; ik zag ’er verscheidene schuitjes inliggen, in den smaak van onze trekschuiten, waar van men, in den tijd als de vaart open is, gebruik maakt, om naar de omliggende plaatsen te varen. Het is wel der moeite waardig, om dit te regt beroemde waterwerk naauwkeurig optenemen, doch mijn reisbestek liet het niet toe.
Castelnaudary ziet ’er niet onbehagelijk uit, ik zag ’er eenige gnappe huizen; het was ’er korenmarkt, en daar door vrij drok en levendig. Deze handel is de voornaamste der ingezetenen, en de vlaktens hier rondom leveren veel graan op; en dat is ’er in dat gedeelte van Languedoc, dat wij tot nog toe doorgereisd hebben, wel noodig. Het getal der ingezetenen van Castelnaudary wordt op ruim 7800 gerekend.
Deze stad is in de geschiedenis vooral bekend door de slag die hier plaats had tusschen de krijgsbenden van Gaston, Hertog van Orleans, en die van den Koning; en waarin de Hertog Hendrik de Montmorenci werd gekwetst en gevangen genomen. Dit viel voor in September 1632, en de ongelukkige Montmorenci werd den 30 October daaraan volgende, beschuldigd zijnde van hoog verraad, te Toulouse onthoofd; hij was slechts 37 jaren oud.
Het vermaarde kostschool (pensionnat) de Sorèse, ligt hier ook niet ver daan; thans waren daar, naar men mij verhaalde, omtrent de 600 jonge lieden.
Te Avignonet8, een dorp of steedje waar wij doorkwamen, scheen het kermis te zijn; want wij zagen ’er verscheidene gnappe jonge lieden van beide kunne onder zeilen, die daar gespannen waren, dansen, hoewel het nog voor den middag was. Dit plaatsje is ook, zoo als de meesten hier omstreeks, in de bloedige geschiedenis der Albigensen bekend. Nu begint het land vlakker te worden, men ziet schier geen bergen en rotsen meêr; de weg was goed, de paarden moedig, en naar het scheen wel gevoed, en de postillon een jonge en vlugge knaap; dit alles maakte dat wij tijdig te Villefranche kwamen, waar ik eenigzins met ongeduld het middagmaal te gemoet zag. Niet alleen de landstreek, maar zelfs de huizen, beginnen hier eene andere gedaante te krijgen; zij zijn van gebakken steenen gebouwd, en met pannen gedekt. De gebakken steenen hebben hier een anderen vorm als bij ons, en gelijken naar langwerpige vierkante roode tegels. Onze herberg zag ’er in ’t geheel niet prachtig uit; maar het was ’er nog al gnap, en het eten was in zijn soort ook vrij wel, volgens algemeene getuigenis; want mij (doorgaans honger hebbende, als ik aan tafel kom) smaakt alles, wat maar eenigzins eetbaar is, goed; en dit is vooral op reis een groot voorregt. Het plaatsje ziet ’er redelijk wel uit; en het is duidelijk, dat de natuur hier milder is, dan in verscheidene streken, die wij in Provence en Languedoc zijn doorgekomen. De vaart van deze laatstgenoemde Provincie loopt ook niet ver van hier. Deze vaart is hier omstreeks, overal aan de kanten, met Italiaansche populieren beplant, dat een vrolijk aanzien geeft; wij zagen dezelve al eenigen tijd op een’ zekeren afstand van den weg aan onze linkerhand. Te Bassiège, een plaatsje, dat ’er ook vrij wel uitziet, moesten wij van paarden veranderen, en ik wandelde intusschen vooruit. Niet ver van hier gaat men over eene brug over de vaart, houdende dezelve vervolgens tot Toulouse aan de regterhand. De landouw wordt hoe langer hoe vruchtbaarder, en alzoo aangenamer; de weg loopt altijd door een groene vlakte, en de heuvels, ter zijde liggende, zijn tot op de toppen toe beplant of bezaaid. De voorname oogst, dien ik hier te veld zag staan, behalve den wijn, was Turksche-tarw, hier millocque genaamd. Als de pluimen, die dienen om de plant te bevruchten, dit verricht hebben, en het zaad is gezet, worden zij afgesneden, om daar door meerder voedsel aan de plant te laten, en alzoo den groei van het zaad te bevorderen9. Men teelt overal in deze landstreek veel van dat graan, dat gedeeltelijk in het land zelve gebruikt, en gedeeltelijk naar Spanje verzonden wordt. Een van onze reisgenooten die een landgoed in Gasconje had, en nog al een liefhebber van den landbouw scheen, zeide, dat men sedert eenige jaren meerder gemeenschap met de naburen naar den kant van het Noorden hebbende, men ten opzigte van den landbouw nog al het een en ander van hun had geleerd; en dat hij zelve onder anderen van een zijner vrienden, die eenigen tijd in Bataafsch Braband geweest was, had geleerd, om meêr voordeel van den grond te trekken, door geele wortelen onder het koren te zaaijen, enz. en dit met goed gevolg sedert eenige jaren reeds had gedaan.
Het hout schijnt hier ook wel te willen groeijen. Men ziet ’er frissche boomen van allerlei soort, in plaats van die eentoonige olijfboomen, waarvan het droevige gezigt mij reeds zoo lang heeft verveeld—waarlijk men had ook wel een vrolijker zinnebeeld voor dien lieven vrede, waarvan wij het gemis reeds zoo lange betreuren, kunnen uitdenken, dan de olijftak, dunkt mij. Een, zoo het scheen goede en eenvoudige geestelijke, aan wien ik deze aanmerking mededeelde, nam de partij van den olijftak met veel ijver, zeggende, dat zij een’ heiligen oorsprong heeft, als zijnde door de duif aan Noäch gebragt, ten teeken, dat het Opperwezen den vrede aan het aardrijk schonk. Tegen zulk soort van lieden valt niet veel te bewijzen, dus liet ik het den man winnen, hoewel ik niet wel in mijn hoofd kan krijgen, dat de Grieken en Romeinen, die ook dit zinnebeeld kenden, daar aan door het verhaal van Moses, in het boek genaamd Genesis, gekomen zijn. Men ziet hier omstreeks ook veel buitenplaatsjes en lusthuizen, die Castels genaamd worden. Het dorp Castanet, waar wij doorkwamen, en dat nog maar 1½ post van Toulouse ligt, ziet ’er ook bevallig en welvarende uit. De huizen zijn hier bijna overal geverwd, en schijnen wel onderhouden; de menschen zien ’er gnap en goed gekleed uit; welk een onderscheid tusschen deze en de dorpen en steedjes van Provence, en hier en daar in het hooge Languedockse! (le haut Languedoc). De weg bij Toulouse, en naar de stad leidende, is zeer aangenaam; zijnde een lange regte laan, aan beide zijde met frissche boomen beplant; wij kwamen langs de wandeling, die allerliefst is, door het dikke en frissche lommer. Ik verkwikte inderdaad op het zien van zoo veel boomen. Het was ruim zes uren, toen wij aankwamen. Hoewel de postwagens over het algemeen, ons vrij wel waren bevallen, deze was het inzonderheid hebbende aan alle posten doorgaans goede paarden; de Conducteur was ook zeer geschikt, en had veel zorg en oplettendheid voor de reizigers. Wij namen hier onze intrek in au grand Soleil, bij Madame d’Aumont.
Den 4 dezer. Toulouse valt mij zeer in de hand; hoewel in ’t geheel niet geregeld gebouwd, zijn de straten echter nog al redelijk breed, en men vindt ’er vele fraaije huizen, genoegzaam allen van gebakken steenen. Het kwam ’er mij dan ook over het algemeen zoo doodsch en stil niet voor, als men mij verteld had; hoewel men elkanderen in de straten niet verdringt, zoo als te Parijs. Koetsen of cabriolets ziet men ’er ook niet veel; maar de draagstoelen zijn nog veel in gebruik. Bij den Schouwburg zag ik ’er verrscheidene staan, men huurt ze voor een matigen prijs. Voor de omwenteling haperde het hier niet aan Kerken en Kloosters, geen wonder, het bijgeloof en de vervolgzucht had zijn’ verschrikkelijken zetel in deze stad gevestigd; gij begrijpt, dat ik de afgrijsselijke zoogenaamde regtbank van gewetens-onderzoek (tribunal d’inquisition), die hier in het begin van de 13e eeuw werd opgerigt, bedoel. De wreedaardige dweeper of huichelaar Dominicus, die sommige nog heden den Heiligen noemen, was aan het hoofd van dezelve en zijne navolgers bekleeden nog in onze dagen die plaats in Spanje en Portugal; hoewel zij, den Hemel zij gedankt, zeer veel van hunne magt verloren hebben. De ongelukkige Albigensen, waarvan ik reeds dikwerf melding maakte, zich niet aan het Pausdom willende onderwerpen, gaven aanleiding tot dit hof van gewetensdwang, of liever dienden ten voorwendsel, om vrij te kunnen rooven en moorden; want immers wisten vele Priesters altijd hun belang met dat van de Godheid, die zij zelf gevormd hadden, zoo kunstig te verbinden, dat het scheen als of zij voor niets anders dan voor de zaak van God ijverden, terwijl zij in der daad niets anders dan hun personeel belang beoogden. Die aller afschuwelijkste Treurtooneelen, waarmede de geschiedenis der Albigensen vervuld is, zijn dan ook inzonderheid, hier en te Alby, eene naburige stad, en de Hoofdplaats van het landschap, waar na de Albigensen genaamd zijn, voorgevallen.
De Hoofdkerk, dat een groot, en in zijn soort prachtig, gebouw is, verdient wel gezien te worden. Het groote altaar pronkt met fraaije Corinthische kolommen van Languedoc’s marmer, en is naar de teekening van den bekwamen Beeldhouwer Gervais Drouet gemaakt. In deze Kerk toont men den predikstoel, waar op men wil dat de Heilige Bernardus en Heilige Dominicus gepredikt hebben. Waarom stelt men ’er geen, waarop de broederliefde en verdraagzaamheid gepredikt wordt, in de plaats? In den toren van deze Kerk hing een klok die 50,000 ponden woog. Het Aardsbisschoppelijke paleis staat bij die Kerk, en schijnt een aanzienlijk gebouw; thans woont ’er de Prefect in; want Toulouse is de hoofdplaats van het Departement de la haute Garonne.
Het Stadhuis op de plaats staande, die men voorheen Parijs naäpende, la Place Royale noemde; hoewel ’er nimmer een Koninklijk standbeeld of iets diergelijks, voor zoo ver men weet, gestaan heeft, beantwoordt niet aan den grooten ophef, dien men ’er van maakt; voor de omwenteling, werd het le Capitole10, in navolging van de Romeinen, genaamd. Want die van Toulouse, aan Gascogne grenzende, en zoo, als algemeen bekend is, even als de bewoners van die landstreek, veel van vergrooten houdende, willen, dat dit gebouw door keizer Galba gesticht is, na dat deze stad bondgenoote van Rome verklaard was, schoon de bewijzen hun schijnen te ontbreken. De leden van het Stadsbestuur werden dan ook Capitouls geheeten. Ik had aangeteekend, dat hier drie groote schilderijen van den vermaarden schilder Antoine Rivals, in een zaal die men la Salle du grand Consistoire plagt te noemen, te zien waren; en vroeg na die zaal; men wees mij dezelve, ik zag overal rond, maar bespeurde niets, dat naar schilderstukken geleek; de muren waren met breede driekleurige streepen geverwd, en dit was al wat ’er te zien was, in eenige andere kamers, die ik nog doorliep, was ook niets bijzonders te zien; eindelijk vroeg ik andermaal aan den zelfden man, die mij de zaal aangewezen had, en eene soort van kamerbewaarder, of diergelijken scheen te zijn, waar dan toch de stukken van Rivals te zien waren, en hij antwoordde in de zaal du grand Consistoire. In der daad zij waren ’er nog; doch, helaas! het schilderwerk was niet meer zigtbaar; eenige woeste ijveraars hadden ’er, in het begin van den omwenteling, den kwast opgezet, omdat zij de geboorte, de krooning, en het huwelijk van Lodewijk den XIV. verbeelden, en dit had ik, om dat zij met eenige anderen genoegzaam den ganschen muur besloegen voor een driekleurig geverwden muur of behangsel aangezien. Verder zag ik hier niets dat der moeite waardig is om te beschrijven. De Schouwburgzaal was voorheen in een van de vleugels van het zoogenaamde Kapitool; thans speelden ’er Marionetten in, en de Schouwburg is in een ander gebouw, dat hier digt bij staat. De gevel van dit Stadhuis, die omtrent de helft van de vorige eeuw gebouwd is, beslaat den eenen kant van de plaats voorheen Royal. Wie erinnert zich niet bij het zien van dit Stadhuis den regterlijken moord van den ongelukkigen Calas. De Graaf van Montmorenci, van wien ik hier voor gesproken heb op de plaats van dit Stadhuis, met gesloten deuren onthoofd zijnde, heeft men hier nog lange jaren daar na roode vlakken op den muur aangewezen, die men zeide van het gespatte bloed van dit slagtoffer van Koninklijke of liever Priesterlijke11 wraak te zijn; sedert een geruimen tijd ziet men die vlakken niet meer.—Maar ik scheide van al die akelige dingen af, breng dezen op de post, en ga naar buiten wandelen.
1 Zij worden de sluizen van Fonceranne, (les ecluses de Fonceranne) genaamd, liggen tegen de helling van een hoogte, en zijn 8 in getal. Verder op is ’er onder door een’ berg, ter lengte van 720 voeten, doorgegraven; deze onderaardsche waterleiding noemt men la voute de Malpas; een gedeelte van dat gewelf is gemetseld, om het invallen te beletten.
2 Zij werd ook Decumanorum Colonia, naar een volk onder de Gaulen, die men Decumani noemde, geheten.
3 Deze vaart meent men, dat reeds door de Romeinen gegraven is, alzoo Plinius, onder anderen, ’er gewag van maakt, onder den naam van Rubrensis.
4 Van de kusten van Provence en Languedoc wijkt de zee, en onze stranden zwelgt zij al langzamerhand in.
5 Ik zal ’er u een gezigtje van doen toekomen.
6 De meer aardige dan nuttige reizigers Bachaumont en la Chapelle, zeggen van Narbonne:
Digne objet de notre couroux,
Vielle ville toute de fange,
Qui n’est que ruisseaux et qu’égouts.
Pourrois-tu pretendre de nous,
Le moindre vers à ta louange?
7 Deze kom is 1200 voeten lang, en 900 breed.
8 Dit is het eerste plaatsje van het Departement de la haute Garonne aan dien kant.
9 Met die afgesneden pluimen of Masculi Flores, zoo als ze door de Botanisten genoemd worden, met een goed deel van de steng afgesneden zijnde, wordt het vee gevoederd.
10 Het Kapitool.
11 Namelijk van den Kardinaal de Richelieu, die een bijna onbepaald vermogen op Lodewijk den XIII. had, en tegen wien de opstand, waar onder Montmorenci zich bevond, bijzonder gerigt was.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
