Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Zeventiende brief
Toulouse, 5 Augustus.
Ons verblijf zal hier korter zijn, dan ik mij had voorgesteld, om dat wij genoegzaam al het merkwaardige reeds gezien hebben, en onze voorgenome reis door een gedeelte van de Pyreneën niet veel langer moeten uitstellen, want het wordt in die bergachtige landstreek dikwijls al vroeg onaangenaam weder. Voor mijn vertrek wil ik dezen echter nog aan u afzenden.
Gisteren, na dat ik een kwartiertje buiten de stad de vaart van Languedoc had wezen zien, ter plaatse, waar zij in de Garonne uitkomt1, ging ik naar Schouwburg, die ’er inwendig nog al redelijk uitziet. Men gaf ’er een groot Treurspel van Racine of Corneille, en hier hadden vertooners den regten slag niet van; ik ging ’er dan al schielijk uit, en kwam niet weder, voor dat men aan het Nastukje begon, omdat het hier t’huis hoort, zoo als de titel ook aanduidt, zijnde genaamd Molière à Toulouse; het beteekent juist niet veel, doch werd redelijk wel gespeeld. Men betaalt 17 sols in het parterre, doch men moet ’er blijven staan.
Heden morgen ging ik weder zeer vroegtijdig uit, om geen’ tijd te verliezen. De kaai langs de Garonne, dunkt mij, het aangenaamste gedeelte van de stad, men ziet in die rivier eenige kleine watervallen door het water, dat over steenen dammen loopt, veroorzaakt; de stroom is zeer sterk. Over dezelve ligt een zeer fraaije steenen brug, rustende op zeven bogen; zij is 72 voeten breed, en ruim 800 voeten lang2. Men gaat over dezelve van de stad naar de voorstad van St. Cyprien. Aan het eind van deze brug, als men uit de stad komt, staat een fraaije poort of zegeboog; op denzelven leest men behalve een Latijnsch vers, als een ander staaltje van de pogcherij der Toulousers: ”het is hier het achtste wonder der wereld.” Septem orbis miracula discant hic mirandum octavum. Buiten deze poort komende, heeft men aan de linkerhand een beplante wandeling, langs de rivier en aan de regter het Hospitaal van St. Jakob, dat men mij ook als waardig, om bezigtigd te worden had opgegeven; doch ik zag ’er niets anders aan, dan een groot Gasthuis. Regt uitgaande door de voorstad van St. Cypriaan, komt men aan een fraai ijzeren hek, dat men de poort van St. Cyprien noemt. Op twee steenen pijlaren van dat hek, ziet men twee fraaije zittende vrouwen beelden. Voor deze poort heeft men eene fraaije plaats beginnen te bouwen, met regelmatige gebouwen rondom; doch zij is ook slechts begonnen, en dit is al verscheidene jaren geleden; buiten deze poort heeft men aan beide zijden fraaije wandelingen, met verscheidene rijen boomen beplant, gelijk ook de weg regt uit beplant is. De boomen die men hier ziet zijn meest ijpen; doch zij zien ’er vrij wat beter uit dan die van Montpellier. De korenmolens, die door het water van de Garonne gaan, zijn wel bezienswaardig, zoo om derzelver grootte als om de werking. In die van de Bazacle worden 16 molensteenen bewogen; doch men moet geen zwarten rok aantrekken, als men hier gaat kijken. Het eiland Tounis, waarbij deze molen staat, wordt meest door verwers van wolle en andere stoffen bewoond.
Verder de stad ingaande, viel mijn oog op de ongewone bouworde van een groot huis; in den gevel zijn verscheidene pilasters, en de kapiteelen zijn zamengesteld uit eenige arenden; ook ziet men diergelijke vogels en andere gedaanten in de lijst; boven een deur ziet men de beelden van Apollo en Mercurius, die een wapenschild houden, en boven een andere, daar naast een paar andere beelden. doch die ik niet herkende. Dit huis scheen mij ondertusschen nog niet zeer oud te zijn, en had, naar ik vernam, behoord aan een President enz. Again genaamd; het staat schuins over het huis, behoord hebbende aan de Malthéser Ridders. In dezelfde straat, wat verder, is een geschutgieterij.
De Kerk van St. Sernin, of eigenlijk St. Saturnin, een zeer oud Gottisch gebouw, is groot, maar inwendig zeer duister, en gelijkt eerder naar een gevangenis of grafspelonk, dan naar een tempel voor den Godsdienst geschikt; nu de geloovigen van Toulouse plagten ook roem te dragen op het bezit van 26 ligchamen van Heiligen, die in deze Kerk in kostbare kisten bewaard werden, en waar onder niet minder dan zeven Apostelen.—Welk een knekelhuis!—Dit gebouw pronkt met eenen hoogen spitsen toren, naar het mij voorkwam op eene buitengewone wijze gebouwd. Zoo akelig en onbevallig ik deze Kerk vond, zoo fraai en wel verlicht vond ik die, welke voorheen aan de Carthuizers behoorde, en thans voor een parochie dient, zijnde onlangs netjes opgemaakt. Het altaar, vooral dat midden in de Kerk onder een soort van lantaarn staat, is van marmer, fraai en met smaak gewerkt; vooral twee Engelen van wit marmer en van gewone menschelijke grootte, kroonende met gestrengeld loof een Urne. De houding van die Engelen is zeer bevallig. Volgens de aanteekening, die ik ’er op vond, is dit fraaije stuk werk door de gebroeders Lukas van Rome in 1785 gemaakt.
Na den middag gingen wij het Stads Museum, in het voormalig Klooster der Augustijnen, bezigtigen. In het pand van het Klooster ziet men eenige overblijfsels van graftombes, beeldhouwerk enz. uit de Kerken na de omwenteling te zamen geraapt. De Kloosterkerk is in eene fraaije zaal of galerij veranderd, zoo dat men niet zou zeggen, dat het een Kerk geweest was; rondom hangen verscheidene schilderijen, die zoo als gij denken kunt, niet veel bewondering baren, als men, gelijk als ik, zoo menigmalen de galerij van Parijs gezien heeft; daar waren ’er sommige bij van nog in leven zijnde meesters. Eenige jongelieden waren hier bezig met kopieeren. In het midden van deze zaal staat een lange tafel, waarop men eenige kleine antike beeldjes van metaal, enz. ziet, en aan het eind heeft men eene fraaije colonade of portique gemaakt van marmeren kolommen, die, naar mij de oppasser vertelde, uit Kloosters of Kerken afkomstig zijn. Achter deze portique, waar men met eenige trappen naar toe klimt, ziet men het bekende kunststuk van Antoine Rivals, verbeeldende de stichting van de stad Ancire in Galatie, door de Tectosages, van Toulouse vertrokken zijnde. Dit stuk is met zeer waarheid geschilderd. Men zegt zelfs dat het voorheen aan het eind van eene zaal op het Stadhuis hangende, dikwijls door lieden die aan het andere eind stonden, voor een wezenlijk gebouw werd aangezien. Hier is die begoocheling zoo sterk niet, doch ik zag het met veel genoegen. Het heeft voor opschrift: ”Tectosages Anciram condebant.” Onder eenige borstbeelden ziet men hier ook dat van Rivals zelven: hij werd alhier in 1735 geboren.
’s Avonds ging ik de aangename wandelingen buiten de poort, waar wij ingekomen waren, en anderen hier omstreeks, nog eens doorkruisen. Bij de vaart zag ik een scheepstimmerwerf waar men zelfs kleine zeescheepjes bouwde. De wandelingen inzonderheid moeten, dunkt mij, veel bijdragen tot veraangenaming van deze stad, en in dat opzigt verdient zij zeker de voorkeur boven Montpellier, Nismes en Marseille.
Toulouse, of liever het oude Tolosa, dat omtrent een uurtje van het tegenwoordige Toulouse af schijnt gestaan te hebben, blijkens onder anderen de geringe overblijfsels van een Amphithéater dat men daar vindt, wil men, dat gebouwd is door de Tectosagers, een volk, waarvan ik hier voor reeds sprak, en dat ruim 600 jaren voor Christus geboorte, ten getale van 300,000 hun land verlieten, om zich hier te komen nederzetten. Daar na geraakten zij onder de Romeinen of werden hunne bondgenooten. Vervolgens hebben de Visi-Gothen ’er zich meester van gemaakt; zij zijn door Koningen, door Graven, en wederom door Koningen geregeerd geworden. Ondertusschen lieten zij zich altijd nog al wat voorstaan op hunne oude vrijheid en onafhankelijkheid, en behielden, zoo als ik reeds gezegd heb, eenige oude benamingen, zoo als Capitouls, rechter mage (juge mage) enz., doch het was ook niet anders dan den naam.
Het Parlement van Toulouse, dat van het midden der 13e eeuw, tot aan de omwenteling bestaan heeft, volgde in rang op dat van Parijs, en was dus het tweede van Frankrijk.
Onder de Akademiën van Toulouse, was ’er een bekend onder den naam van Académie des Jeux Floraux, in het begin van de 14e eeuw gesticht door zeven Troubadours3, en daar na, in dezelfde eeuw, gevestigd door Clemence Isaure, eene vrouw van geest en fraaij vernuft. Deze Akademie bleef genoegzaam in haren oorspronkelijken staat voortduren tot in het laatst van de 17e eeuw, toen men ’er eene Koninklijke Akademie van gemaakt heeft, met behoud, echter van haar eersten naam. Deze Troubadours en jeux floraux (bloemen spelen) schijnen, volgens het geen ik ’er van gelezen en gehoord heb, veel overeenkomst gehad te hebben met onze oude Redenrijkers en hunne handelingen. Zij gaven ook Dichtstukken op, en beloofden prijzen, zoo als goudsbloemen, lelien, en andere bloemen van goud of zilver. De leden van het Genootschap genaamd Jeux Floraux, werden Bacheliers en la gaie science et dans le gai savoir, medegenooten in de vrolijke wetenschap en lustige kennis, genaamd. Deze Troubadours waren ook somtijds zeer vrij in hunne versen, en durfden de Vorsten en Geestelijken wel eens ter deeg hekelen. De letterkunde werd hier dan ook altijd, hoe zeer ’er het bijgeloof den baas speelde, nog al beoefend, en Toulouse heeft verscheidene mannen van naam opgeleverd, onder andere du Ferrier, die Ambassadeur zijnde, zich durfde verzetten tegen het voorgevallene in het Concilie van Trente, en het verstandig ontwerp gemaakt heeft, om Frankrijk van den stoel van Rome los te maken, en in navolging van Engeland, de Gallicaansche Kerk onafhankelijk te maken van de Pausen. Cailhava, lid van het Institut National van Frankrijk, bekend door verscheidene Toneelstukken, vooral door zijn werk genaamd de l’Art de la Comedie, en zijne Etudes sur Molière, werd ook te Toulose geboren.
De voorname handel van deze stad bestaat in Spaansche wolle en koren, ook worden, bijzonder als de vaart van Languedoc gesloten is, de goederen die men de Garonne af vervoert, hier per as aangebragt. Onder de menigte voerlieden, zag ik ’er hier dan ook verscheidene uit het land van Béarn, aan de Spaansche grenzen, welke een soort van mutsjes op hebben, bijna in den smaak als vele boertjes van Teniers. Sommigen waren bruin, andere wit met rooden kwast, die ’er boven plat op ligt. Deze mutsjes die men Berettes noemt, zijn van wol gebreid en gevuld; zij zijn zoo ondiep, dat het menschen, die ’er niet aan gewoon zijn, moeijelijk zou vallen, dunkt mij, on ze op het hoofd te houden. Behalve de verwerijen zijn hier ook fabrieken van wollen stoffen; ik zag ’er onder anderen een gemeen soort van laken dat zeer smal is. Hier, en in het gehele Languedocsche meet men stoffen, linten, enz. niet met de el, maar met eene maat die men la cane noemt, en die verdeeld wordt in 8 pans; 5 zulke pans maken eene Fransche elle. In Provence meet men ook met pans. De bevolking van Toulouse is ruim 52,600; de menschen zien ’er over het algemeen gezond en wel uit; levensmiddelen van allerlei soort ontbreken ’er niet, en zijn tot een matigen prijs te bekomen; hoenderen en allerlei soort van gevogelte vooral. Wij waren over onze herberg wel te vreden.
Men verzekerde mij, dat het bijgeloof hier sedert de omwenteling aanmerkelijk verminderd was. De inwoners van deze stad, altijd zoo zeer gesteld zijnde op hunne vrijheid en onafhankelijkheid, waren dan over het algemeen ook ijverige voorstanders van de grondbeginselen der omwenteling.
Ik heb u nog vergeten te vertellen, dat hierin het Klooster der Cordeliers een grafkelder plagt te zijn, die, zoo als men het volk wijs maakte, de bijzondere eigenschap had, om de lijken, die men ’er in legde, te verdroogen; doch het is thans algemeen bekend, dat het niet anders dan een kunstje van de Monniken was. Deze kelder gaf aanleiding tot eene weddingschap tusschen twee jonge lieden; een van hun moest juist op het uur van middernacht, (want dat is overal de tijd, dat de spoken en geesten verschijnen, zoo als het middaguur overal bij de boeren de schafklok is) alleen in dezen kelder vol verdroogde lijken en geraamtens gaan, en om wel verzekerd te zijn, dat hij tot het einde toe geweest was, aldaar op een bepaalde plaats een spijker in den muur slaan. Onze held begeeft zich, van een dievenlantaarntje, een hamer, een spijker, en de noodige sleutels voorzien, naar dien akeligen kelder, zich zoo als het dikwijls gaat, kloeker houdende, dan hij in der daad was; maar wie wil, jong zijnde, ook den naam hebben van bang, en vooral bang voor dooden te zijn. Het moest ’er dan mede door. Hij treedt ten kelder in, opent de deur van de grafspelonk, en plaatst den spijker. Ondertusschen staat de andere wedder, met een menigte nieuwsgierigen, een geruime wijl in het Klooster te wachten; en hij komt niet terug. Men begint ongerust te worden, en besluit, om te gaan zien, waar hij blijven mag.—De ongelukkige jongeling was dood, en dat waarschijnlijk door angst; want hij had, een lang en wijd kleed aan hebbende, ’er denkelijk door de vrees, niet ter deeg toeziende, een slip van zijn kleed aan den muur vast gespijkerd; hier door voelt hij zich, heen willende gaan, terug gehouden; en de beangstheid, die misschien reeds tot eene aanmerkelijke hoogte was gestegen, neemt hier door zoodanig toe, dat hij ’er onder bezwijkt4. Genoegzaam alle menschen hebben, en ik geloof zelfs buiten en behalve vooroordeelen van eene verkeerde opvoeding, een’ huiverigen afkeer van de dooden; dit schijnt eenigzins in de natuur te liggen, en men wordt hetzelfde gewaar in sommige dieren, vooral in de paarden. Men handelt dan altijd onvoorzigtig, van dezen afkeer met geweld te willen trotseren, en sterker te willen wezen, dan wij in der daad zijn. Bij deze gelegenheid erinner ik mij een geval van dien aard, dat aan iemand van mijn nabestaanden gebeurd is. Hij bevond zich, nog zeer jong zijnde, te Groningen bij bloedverwanten, die in een groot huis woonden, waar het, zoo men wilde, spookte; een lange gang scheidde de kamer, waar men gewoonlijk zat, van de keuken. Op zekeren avond, dat deze aankomende jongeling uit die kamer, door den gang, in het donker naar de dienstboden in de keuken wilde gaan, wordt hij op eenmaal bij een been vast gehouden, zoo dat hij vallende zeer verschrikte, vooral dewijl het huis een’ kwaden naam had. Daar hij van angst schreeuwde, komt men op het gerucht toelopen, en vindt dat hem het ijzer- of koperdraad van de bel, om een van zijne beenen was gekronkeld. Men had juist gebeld, de draad die door de gang liep was gebroken, en hier mede was de spookhistorie verklaard, en liep zonder eenige onaangename gevolgen af.
Morgen ochtend om 3 uren vertrek ik van hier met den postwagen, die van Toulouse naar Bayonne rijd tot Tarbes.
1 Riquet begon deeze vaart in 1666, en zij werd in 1680 voltooid. In ’t geheel zijn ’er 60 sluizen, te weten 45 naar den kant van de Middellandsche Zee, en 15 na den kant van den Oceäan. Het gansche werk heeft 13 millioenen gekost, waarvan door den Koning ruim de eene helft, en door de Provincie de rest betaald werd. Men zegt, dat de sluizen ’s jaarlijks omtrent één millioen opbrengen, na aftrek van alle onkosten. Thans, daar deze vaart droog was, dat alle jaren in dit jaargetij gedurende eenigen tijd plaats heeft, werd zij verbreed en uitgegraven.
2 Deze brug is naar het bestek van den bouwmeester Souffron gemaakt, de hoeken zijn van gehouwen, en de rest van gebakken steenen. De zegenboog is naar de teekening van Francois Mansard gebouwd.
3 Trobadors de Tolosa. Troubadours zijn Dichters van de 12de en 13de eeuwen, in Provence, Languedoc en andere Provincien van Frankrijk ten zuiden van de rivier de Loire gelegen, t’huis behoorende.
4 Dit voorval had plaats in het begin van de vorige eeuw.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
