Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805

Achttiende brief

Bagnères, 9 September.

Gisteren ben ik hier aan den voet van die keten hooge bergen, die de grensscheiding van Frankrijk en Spanje maken, aangekomen. Den 6 dezer reed ik, terwijl het nog duister was, uit Toulouse. De poort van St. Cyprien uitgereden zijnde, zagen wij een half uur buiten de stad, aan de linkerhand van den weg, de bron la Fontaine de Perpan genaamd, welke, naar men zegt, een zeer heilzaam mineraal water geeft; ik vond ’er echter geen anderen smaak aan dan aan gewoon water. Aan de fontein is ook niets bijzonders te zien, zij is als een vierkant koepeltje gemaakt, en uit drie ruw gebeeldhouwde koppen loopt het water; men had mij dit nog al als iets bezienswaardig opgegeven. De ligging onder eenige vrij hooge Italiaansche populieren, is nog al schilderachtig. De weg is zeer goed, aan beide zijden aangenaam beplant, en rondom ziet men eene vruchtbare vlakte. Wij ontmoetten verscheidene spannen met ossen, zoo als ik ’er Toulouse ook al gezien had; zij zijn aan elkanderen gekoppeld door middel van een hout, dat dwars tegen de horens met riemen vastgemaakt wordt; midden in hetzelve is een gat, waar door de disselboom, tusschen de twee beesten inkomende, doorgestoken, en met een pen vastgemaakt wordt; hier in bestaat al het tuig van dit gespan: want een toom of lijsten hebben zij ook niet, in plaats van dat, heeft de voerman een langen regten stok, waarmede hij hen bestuurt, dezelve tusschen de horens inleggende, en daar bij somtijds eenige woorden voegende; deze voerlieden hebben lederen schootsvellen voor, zoo als bij ons de schoenmakers.

De Garonne over zijnde, is men in het voormalig Gascogne, en de landen tusschen deze rivier, den Oceaan en de Pyreneën gelegen, werden gemeenelijk onder de benaming van Gascogne begrepen. Bij het dorpje Lequevin, waar de weg over een hoogte loopt, heeft men een aangenaam gezigt over de schoone en vruchtbare vlakte. Aan de regterhand, op een zekeren afstand van den weg, ziet men een bosch, dat zeer uitgestrekt schijnt te zijn, doch ’er waren geen zwaare boomen in, en diende, naar ik vernam, genoegzaam alleen voor brandhout. Men noemt dit het bosch van Boecol. De weg is hier zeer ongelijk, en men is den eenen heuvel pas af, of men moet den anderen weder opklimmen. De grond schijnt hier ook zoo goed niet als digter bij Toulouse, en Turksche tarw was het voornaarmste dat ik ’er zag; hier en daar staat ook gierst, dat men petit millet noemt. De grond wordt hier veel met mergel1 gemest; zulk eene bemesting voedt den akker voor verscheidene jaren. Op sommige akkers zag ik nog eene andere soort van maïs of Turksche tarw, die weinig graan geeft, en alleen geteeld wordt, om ’er bezems van te maken; zij groeit hooger, en is ranker dan de andere, daar bij zijn de pluimen, die om te veegen dienen moeten, veel langer, en vrij stevig; diergelijke bezems, netjes gebonden, worden in gansch Provence en Languedoc bijna gebruikt, ik zag ze zelfs al te Lyon; dit is dan nog al een tak van handel, en indien het niet zoo afgelegen was, zou ik onze Hollandsche vrouwtjes wel durven aanraden, om ’er een goeden voorraad van op te doen. Nu rijdt men een brug over eene beek, door een dal stroomende, over; en hier zag ik iets, dat ik in langen niet gezien had, frissche groene weilanden, waarin een menigte rundvee en paarden graasden. 3½ post van Toulouse ziet men een onaanzienelijk steedje, l’Isle de Jourdain genaamd. Voorheen lag het in zijne wallen, en had een Kasteel, doch deze zijn al sedert vele jaren afgebroken. De inwoners, eenige jaren geleden, oneenig zijnde met eenige krijgslieden en burgers van Toulouse, had zulks hier verregaande dadelijkheden ten gevolgen. Overal waar maar huizen staan, ziet men eene menigte gansen, waarvan dit land ongemeen voorzien schijnt. Nu en dan treft men ook nog wijngaarden aan, maar geen olijf- of moerbezienboomen meêr. Twee posten verder dan het laatstgenoemde plaatsje, namen wij het middagmaal, in een steedje Gimont genaamd, aan een riviertje gelegen, en waar een ruime geheel overdekte plaats is, waar men markt houdt, en die men la Halle noemt; de landlieden, uit den omtrek, brengen hier hunne waren ter markt, en dit geeft nog al eenigen handel. Het ziet ’er hier nog al tamelijk uit, de maaltijd was redelijk goed, en de prijs zeer matig. Niet ver van hier, zegt men, zijn mijnen, waar turkoisen gevonden worden, die weinig van de Oostersche verschillen. De weg loopt aanhoudend over bergen en dalen, zoo dat men schier aanhoudend niet anders dan stapvoets voortgaat; te meêr, daar men maar weinig van paarden verwisselt; doch ik verveelde mij niet, om dat de landstreek aangenaam is, alles is bebouwd; hier en daar heeft men boschjes en boeren-hoeven, die men Metairies noemt; onder dezelven ziet men ’er die met de aangelegen schuren, stallen, enz. al vrij groot zijn, en wel kleine gehuchten gelijken. Een groot ongemak echter is het gebrek aan water, dat hier in gansche streken plaats heeft, zelfs met den ongewonen regen, dien wij gehad hebben, en die nogthans aan alles een buitengemeen frisch aanzien geeft; moest men het van een huis aan den weg liggende, en waar wij een oogenblik vertoefden, omtrent een half uur ver halen; zelfs waren ’er van de naburen, die nog verder van die bron af woonden; het was dus niet meer dan billijk, dat ik een glas water, dat ik hier dronk, betaalde.

Omstreeks half zeven kwamen wij te Ausch, hoofdplaats van het Departement le Gers, voorheen van Gascogne. Toulouse en Ausch zijn 8½ post. Daar het avond werd, haastte ik mij om de hoofdkerk te gaan bezigtigen, waarvan de geschilderde glazen in dit land zoo beroemd zijn als bij ons die van Gouda; doch het maakt de Kerk inwendig zeer donker; het snijwerk van het koor is ook zeer fraai gewerkt. Men had hier en daar op de altaars bloeijende Tuberozen gezet, die eenen zeer aangenamen reuk door de gantsche Kerk verspreidden. Men wil dat deze Kerk reeds door Koning Clovis, dat is in het laatst van de 5de, of in het begin van de 6de eeuw, gebouwd is. Het portaal is modern werk, zijnde door Gervais Drouet in 1671 uitgevoerd. Aan beide zijden van dit portaal staat een vierkante toren met kolommen van onderscheidene bouworders versierd; het maakt een prachtige vertooning, vooral om dat men ’er het gezigt op heeft van eene ruime plaats; doch naar ik vernam, weten bouwkundigen ’er veel op aantemerken. Dat dit werk in den Antiken smaak, met het overige Gothische, een misselijk geheel uitmaakt, is ligtelijk te zien. De stad op eene hoogte liggende, heeft men van het terras, dat met boomen beplant is, en voor eene gemeene wandelplaats dient, een aangenaam gezigt. Aan den voet van den hoogen heuvel, waar Ausch op en tegen aan gelegen is, stroomt het riviertje le Gers, waar naar het Departement genaamd wordt.

Het Stadhuis, hoewel niet groot, is een fraai gebouw; het scheen nog niet lang gestaan te hebben. In hetzelve is een schouwspelzaal.

Ausch is verdeeld in de hooge en lage stad. Men klimt uit deze naar de eerste, behalve langs den rijweg, door middel van een steenen trap, die naar men zegt, want ik heb ze niet geteld, twee honderd treden hoog is. Het Stadhuis staat ook in de stad, en ik zag daar meêr gnappe gebouwen. Het getal der ingezetenen bereikt nog geen 8500. Men maakt ’er een soort van pijlaken en andere wollen-stoffen.

Wij hadden hier eene zeer goede herberg bij Alexandre, die man is buitengemeen dik, en wordt daarom boertender wijze Alexandre le gros2, in tegenoverstelling van Alexandre le grand3 genaamd. Ons avondmaal was met zoo veel orde en netheid opgezet, dat men het in een Hollandsch deftig burgerhuis niet beter zou verlangen. De dikke Alexander, die een goed gul man scheen, en een paar gnappe dochters dienden zelfs van tijd tot tijd mede. ’Er was overvloed, en de spijzen waren zeer goed bereid; wij zaten ’er met ruim 20 personen aan tafel; want de gaande en komende postwagen houdt hier nachtverblijf. Over de kamers en bedden waren wij ook wel te vreden, en betaalden niet meer voor eten en slapen dan £3–:–: beter en goedkooper herberg hadden wij tot nog toe niet aangetroffen. En wat men ook van de Gasconjers zeggen moge, het huis van Alexander de dikke, te Ausch, vind ik tot nog toe de beste herberg van Frankrijk.

Den 7 dezer. ’s Morgens om 4 uren moesten wij onze goede herberg weder verlaten. Een eind weegs voortgereden zijnde, ziet men van eene aanmerkelijke hoogte, waarover de weg loopt, de toppen van de Pyreneën, welke zich in de wolken schijnen te verliezen, zoo dat men ze hier en daar van dezelve naauwlijks onderscheiden kan. De wagen door de steile helling van den weg zeer langzaam moetende gaan, gingen wij te voet, en hadden daar door nog meêr genot van het schoon gezigt. Drie posten van Ausch, kwamen wij door het steedje Mirande, waar ook een ruime overdekte marktplaats is. Men breidt hier veel ongemeen fijne en mooije wollen kousen, onder den naam van kousen van Mirande bekend. Zij worden van vette wol gebreid, en daar na uitgewasschen (degraissés). Ik vond ’er heden in het voorbijgaan geen te koop, om dat de opkoopers van Bourdeaux en andere omliggende plaatsen, zich den vorigen dag van al het voorhanden zijnde werk meester hadden gemaakt.

Ik heb u nog niet van onze reisgenooten gesproken. De voornaamste waren een gewezen Kapitoul van Toulouse, een bejaard Heer met zijne dochter, en een Gasconjer, die te Ausch op den wagen gekomen was, en voor zijn vermaak Bagnères ging bezoeken. Als men tegenwoordig een dag met iemand in Frankrijk op een postwagen zit, wordt men, hoewel ’er de menschen niet regtstreeks voor uit komen, al ligt gewaar tot welke politieke geloofsbelijdenis zij behoorden. Het viel mij dan ook niet moeijelijk om te ontdekken, dat de gewezen Kapitoul Bourbons-gezind was; de bejaarde Heer een voorstander van de tegenswoordige orde van zaken, en de Gasconjer tamelijk onverschillig, hoewel nog meer naar de oude dan naar de tegenwoordige regering overhellende, omdat de Provincien toen ook nog wat intebrengen hadden. Dat ik een Hollander, en een ijverige voorstander van een Republikeinsch bestuur was, stak ik onder geen stoelen of banken; niemand bestreed dit gevoelen meêr dan de bejaarde Heer, en wilde zelfs beweeren, dat ’er geen beter regeering was, dan een volstrekt willekeurig gezag (Despotisme absolu), dit hield hij onverzettelijk staande, en was ’er door geene kracht van reden aftebrengen. Wij verschilden dan alle in gevoelens van hem, en daar het gesprek, vooral met mij, al vrij ernstig begon te worden, trachtte de Gasconjer het op een ander onderwerp te brengen, en begon van de jagt te spreken, zeggende dat hij reeds verscheidene malen in de Pyreneën geweest was, en daar meêr dan eens jagtpartijen op Izards4, Wolven en Beeren had bijgewoond, en zelfs eens een Beer geschooten; een menigte zonderlinge omstandigheden ontbraken hier niet aan. Onze voorstander van het Despotisme, dit alles met zeer veel belangneming aanhoorende, vroeg nu, en dat in goeden ernst, of ’er ook aapen in de Pyreneen waren. Ieder had moeite om zich van lagchen te onthouden. Intusschen kwamen wij berg op berg af te Mielan, een dorp 4½ post van Ausch, alwaar wij het middagmaal moesten houden. De Gasconjer sprak hier eenigen tijd met den verdediger van het Despotisme alleen, en verhaalde ons daar na dat hij van hem vernomen had, dat zijn oogmerk was om naar Pau te gaan, en bezit te nemen van een post, die hij bij het Lycéum aldaar gekregen had. Dit verspreidde zeer veel licht over deze zaak. Ik denk echter niet dat hij te werk gesteld zal worden om onderwijs te geven in de Natuurlijke Historie.

Hier omstreeks zagen wij sommige vrouwen met kappen van rood laken, het geen naar ik vernam, vooral hooger op een gewoon hoofdtooisel is.

De wijngaarden zijn in deze landstreek veel hooger van stam dan ik ze tot nog toe gezien had, en worden niet alleen aan regt opstaande staken, maar ook aan dwarshouten, opgebonden. Hier zag ik veel wilde kersenboomen, dienende om de wijngaarden te ondersteunen; de wijngaarden wierden tegen den stam van den boom opgeleid, en de ranken tusschen de boomen aan elkanderen vastgehegt, en maakten, als Guirlandes hangende, eene sierlijke vertooning. Deze kersenboomen, die in plaats van staken bij de wijngaarden dienen, worden ’s jaarlijks ingekort, om dezelve klein te houden. Men verkiest die boven de gewone staken, omdat deze, in den grond verrottende, gedurig moeten vernieuwd worden.

Men heeft hier weder eene aanzienelijke hoogte, en aan den voet van dezelve ligt het steedje Rabastens. Een beekje stroomt hier langs den weg die alleraangenaamst en zeer effen is, en genoegzaam regt loopt tot Tarbes, zijnde nog 2¼ post. De landstreek, hier aanhoudend besproeid zijnde, heeft men ’er veel groene beemden. Het werd donker, en daar het heden vrij warm geweest was, waren onze paarden zeer afgemat, want zoo wel heden als gisteren, hadden wij maar eens van paarden verwisseld. Deze postwagen is dan ook al een van de minsten, dien ik op deze reis aangetroffen heb. De zich zoo beschaafd wanende Franschen, komen mij over het algemeen ook al zeer ongevoelig voor omtrent het vee, en dikwijls ergerde mij de behandeling der paarden. Het doet mij zeer, als ik zoo een goed en nuttig dier zie mishandelen, en (velen mogen hier om lagchen) mij dunkt, dat in eene wel ingerigte maatschappij, ook de dieren door wijze wetten tegen mishandeling behoorden beveiligd te worden. Vooral moesten redelijke ouders of onderwijzers de kinderen streng bestraffen, wanneer zij zich bezig houden met dieren, evenveel welke, te martelen of te plagen. Men begint dikwijls met het mishandelen van vliegen, en men eindigt met het mishandelen van menschen.

Eer men te Tarbes komt, rijdt men over eene brug die over het riviertje l’ Adour ligt. Het was bijna acht uren toen wij in die stad aankwamen. Tarbes is 16¾ posten van Toulouse. Wij namen onze intrek in het Hotèl de France bij Buron, waar wij een tamelijk goed avondmaal vonden.

Den 8 dezer. Wij beslooten tot na den middag hier te blijven, om onderwijl de plaats te zien. Zij is de hoofdstad van het Departement van de Hautes Pyrenées, voorheen van het Graafschap Bigorre en Gascogne, in eene aangename vlakte aan den oever van de Adour gelegen, en ruim 6200 inwoners bevattende. De straten zijn ’er breed, en schier overal stroomt aan beide zijden van dezelve een beekje van helder water, het geen veel tot de frischheid en zuiverheid van deze plaats bijdraagt. In deze beekjes baadden zich een menigte eenden, gansen, en ook die soort, welke men bij ons Kaapsche gansen noemt, en die hier zeer algemeen schijnen. Men ziet ’er nog al gnappe huizen, doch de meeste zijn maar een of twee verdiepingen hoog, het geen dit stadje des luchtiger en vrolijker maakt. Op de marktplaats staan zware boomen, die eene aangename lommer geven. De boerinnen, die hier met groentens, vruchten en andere eetwaren zaten, hadden alle roode, en eenige weinige witte lakensche kappen op; de voorname vrouwen hadden ze van bruinachtig grein, met een lichter stof van een andere kleur, doorgaans rood, gevoêrd, en welke het geheele lijf bedekken. De gemeene wandeling is ook aangenaam met lindeboomen beplant, en men ziet van daar de Pic du Midi, en andere hooge Pyreneesche gebergtens. Voor onze herberg was ook eene zeer ruime plaats, waar de voorname markten gehouden worden.

Het oude Begorra, Castrum Begorrense, en later Turba genaamd, door de oorlogen verwoest zijnde, is het tegenwoordige Tarbes, in stede van hetzelve gesteld. De hoofdkerk staat op eene plaats, welke men voor dezelfde erkent, waarop een gedeelte van het oude Castrum Begorrense stond. Doch wanneer en door wie de oude stad gebouwd is, weet men niet. Die Kerk heeft voor het overige, voor zoo ver ik kon ontdekken, niets aanmerkelijks, zoo min als een ander diergelijk gebouw, maar dat van veel jonger datum scheen. In deze laatste werd juist de mis gelezen, het was een heilige dag, en de meenigte vrouwen met roode kappen op, die, geknield liggende, een groot deel van het ruim dezer Kerk vervulden, maakte eene zonderlinge vertooning, en zij geleken niet kwalijk naar zoo vele kleine roode pyramides, die de lakenkoopers gewoonlijk in en voor hun winkels maken; want deze kappen, die men capelettes noemt, bedekken het geheele bovenlijf van de vrouwen, en wij zagen ze van achteren.

Om 3 uren na den middag vertrokken wij naar Bagnères, met een Berline (groote koets) met drie paarden, die wij met ons vijven voor £ 20 — gehuurd hadden, voerende onze bagage mede. De weg is zoo gelijk als die van Rabastens naar Tarbes. Van tijd tot tijd heeft men ter zijde van dezelve eene liefelijk ruisschende beek, bevallige beplantingen en boschjes, die een digte schaduw geven; nu en dan lagchend groene weilanden, velden met Turksche tarw5, en gierst die veel weelderiger staat, dan ik ze tot nu toe gezien had. Ook hier, even als in de Cevennes, scheen het nog lente. Een menigte boeren en boerinnen van een naburige markt terug keerende, kwamen ons tegen, met jong vee, paarden en muilezels, waarbij veel veulens. Alles was vrolijk, jongens en meisjes sprongen zoo wel over den weg heenen als de veulens en kalveren. Dan zag men een paar bejaarde boeren druk met elkanderen in gesprek, van tijd tot tijd stilstaande, en vele bewegingen met de handen makende; dan weder een aardig paartje langzaam volgende, de jongen met den arm om den hals van het meisje, welke, toen zij ons naderde, de oogen nederwaards sloeg; daar een hoop lustige knapen, hand aan hand loopende, zingen, en op eene dartele wijze de voorbijgaande groetende; en ginds een wagen vol vrouwen, alle met scharlaken capeletten op, waarop het gezigt schier schemerde. Dit alles leverde voor mij eene zeer vermakelijke vertooning op. Men komt ook door eenige niet onaangename dorpen, waarvan de huizen van keisteenen gebouwd zijn. Deze keisteenen zijn op eene regelmatige wijze op elkanderen geschikt; dan heeft men een laag kleine, en dan weder een laag grootere, dan langwerpige en dan ronde, het geen aan die muren geen onbevallig voorkomen geeft; zij zijn met een soort van kalk of cement gemetseld. De daken zijn alle van leijen. De valei waar door deze weg loopt, is zeer aangenaam en vruchtbaar; het riviertje de Adour stroomt door dezelve, men wordt dien snellen stroom zelfs hier en daar van den weg gewaar. Voor zich ziet men het stadje Bagnères, aan den voet van ontzaggelijke bergen liggen, waar onder zich de punt van de Pic du Midi bijzonder onderscheidt. De landstreek is hier verrukkelijk. Het was ruim zes uren toen wij te Bagnères aankwamen. Tarbes en Bagnères zijn 2½ post. Wij waren verpligt om nog al een poos heen en weder te loopen eer wij een logement konden vinden, want het was bijna overal vol. Eindelijk kwamen wij te regt bij Mad. la Veuve Uzac, die ons een paar nette kamers bezorgde in een huis, dat haar behoorde, en door eene bejaarde weduwe met eenige dochters bewoond werd; wij waren daar zeer wel, en aten aan de gemeene tafel ten huize van de weduwe Uzac.

Van Toulouse af tot hier toe hadden wij met een koopman van Bordeaux gereisd, doch die altijd in de Cabriolet van den postwagen gezeten had. Te Tarbes, en hier naar toe rijdende, hadden wij nader kennis gemaakt; het scheen een hupsch en vriendelijk mannetje; doch nimmer heb ik een mensch, vooral van die jaren, (hij scheen omtrent de 50) gezien, die woeliger en snapachtiger van aard was; geen oogenblik zat hij stil, zelfs van tafel stond hij geduurig op, en veranderde aanhoudend van gesprek; met dat al scheen hij zijn oordeel vrij wel te hebben. Ik heb opgemerkt, dat de menschen aan deze kanten, over het algemeen, zeer levendig van aard zijn, en in dit opzigt is het verschil tusschen hen en onze echte landslieden al zeer aanmerkelijk. Ik heb somtijds in mijn verbeelding een paar statige Haarlemsche burgers, ieder met een eenvoudige paruik en hoed op, een japon aan, een lange pijp met de eene hand in den mond houdende, en de andere op den rug of tusschen de sjerp6 geplaatst in het midden van eenige Gasconjers, of Provencalen, van dezelfde jaren, en tot denzelfden stand behoorende; maar het kwam mij voor, dat deze menschen in ’t geheel niet bij elkanderen hoorden.

Op de Cours, of gemeene wandeling, dat hier ook een breede straat is, in het midden eenigzins verheven, en aan beide zijden met een rij boomen beplant, zag ik eene menigte wandelende Heeren en Juffrouwen. Ik liep ook eens in het huis, waar men hier openlijk dobbelspelen om grof geld gedoogt, en zag ’er, met smarte, zelfs verscheidene boeren uit het landschap, voorheen le Bearn genaamd, om Louïs d’Ors spelen7. Voor hem die zich op menschenkennis toelegt, is ’er in zoo een speelhuis nog al wat optemerken; schraapzucht, vreugde, wanhoop, haat, mistrouwen, ongeduld, woede, alle deze hartstogten zijn beurt om beurt op het gelaat van de meeste, die rondom deze speeltafels staan of zitten, te lezen. Brandend staren de oogen op de kaarten, dobbelsteenen, of nommers; gedurig hoort men half binnens monds vloeken, zuchten, morren, of met den voet stampen.

Den 9en September. Reeds om zes uren ging ik wandelen, en klom den berg, dien ik uit het venster van mijne slaapkamer zien kan, op. Aan de helling van dezen berg vindt men een badhuis, waarin het water vrij warm is8, boven hetzelve opklimmende, komt men aan eene aangename wandeling onder zware en lommerrijke boomen, en hier is nog een huisje, waar men het water drinkt, betalende daar voor aan lieden, die het gepacht hebben; om de warmte is het walgelijk, doch anders vond ik ’er geen’ onaangenamen smaak aan. De warme bron, die dit water oplevert, wordt de bron van Bagnerolles (source de Bagnerolles), ook bron van de Koningin (source de la Reine) genaamd. Zij geeft, volgens daarvan gevonden aanteekeningen, 495 Cubiek voeten water in één uur. Het water van deze bron wordt in verscheidene baden verdeeld, onder anderen ook in een huis, dat insgelijks aan de helling van dezen berg zeer aangenaam gelegen is, en voorheen aan de Kapucijner Monniken behoorde. In sommige dier baden moet men betalen, in anderen voor minvermogenden geschikt, kan men om niet gaan. Men ziet hier dan ook een aantal kreupelen, lammen en ziekelijke menschen van allerlei ouderdom, en van beide kunnen. Hooger opgaande, wandelt men nog altijd onder eiken-, beuken- en castanje-boomen, waar onder zeer zware. Ik vond eenige boomen omver liggen, zij waren nog maar onlangs door eenen zwaren storm en onweder geveld. De wandeling is hier alleraangenaamst, vooral in zulk eene heerlijken morgenstond, als wij heden hadden. De berg hooger en hooger opklimmende langs smalle voetpaadjes, heeft men een verrukkelijk gezigt, aan de noord- en noord-westzijde over de schoone vallei, die wij gisteren waren doorgereden, en de omliggende dorpen, voor zich, over het stadje Bagnères heen, tot tegen de boschjes en groene heuvels aan den anderen kant van de Adour gelegen. Zuid en zuid-oostwaards heeft men ontzaggelijke hooge rotsen en bergen, daar de Pic du Midi9 boven uitsteekt. De helling is hier tamelijk stijl, en men moet ter deeg klauteren; echter schijnt het vee daar zoo gemakkelijk te weiden als bij ons, en elders in de vlakke weilanden. Wij ontmoetten hier ook een meisje, dat eenige koeijen en geiten hoedde, want deze berg is genoegzaam geheel groen, en de menigte kruiden van onderscheidene soorten, die ’er op groeijen, geven zoo wel een’ lieffelijken reuk als een vrolijk gezigt. Deze herderin geleek evenwel in ’t geheel niet naar die, waarvan ons de oude Dichters zulk eene bevallige beschrijving geven; zij was in ’t geheel niet schoon, en had in plaats van een bloemkrans, eene roode baaijen kap op het hoofd10. Den top bereikt hebbende, was het gezigt nog uitgestrekter, doch bleef altijd door de bergen, die veel hooger waren dan die, waarop wij ons bevonden, en die in vergelijking van dezelven maar een heuvel was, zeer bepaald. Oostwaards ziet men ook niet anders dan bergen, en hier en daar tusschen dezelven eenige woningen en boschjes, schilderachtig gelegen. Aan den anderen kant afklimmende, zagen wij, het water uit een bron, dat een klein beekje maakte, volgende, dat hetzelve zich in een diepte tusschen de rotsen verloor. Ik klom daar in, en vond beneden een spelonk, waar ik zonder licht niet ver in durfde gaan; doch die, naar het rollen der steenen, die ik ’er in smeet, te oordeelen, vrij diep moest zijn; het water, dat hier inloopt, komt waarschijnlijk beneden weder uit, en maakt eene tweede bron. Een landman, dien ik hier omstreeks ontmoette, noemde deze spelonk (voor zoo veel ik hem begrijpen kon) la Grotte ou le Clos de la Lacque. In een enge vallei wat verder op, zag ik in een waterplas, bij eene kleine bron tegen het zuid-oosten warm gelegen, een menigte jonge kikvorschen, zoo als men die bij ons in de maand Mei ziet, namelijk zonder pootjes, en alleen met een staartje. Men vindt hier nog tegenwoordig tusschen de bergen eene menigte aardbeziën. De lente, zomer en herfst zijn hier om zoo te spreken vereenigd; want eigenlijke lente en herfst, zoo als bij ons en elders, heeft men ’er niet. De sneeuw begint somtijds al in het midden van October te vallen, de bergen worden daar vervolgens mede overdekt, en de valleijen tusschen dezelven vervuld; deeze ontzaggelijke menigte op een gehoopte sneeuw blijft door de koude, die zij zelve veroorzaakt, lang in wezen, en smelt niet eerder, voor dat de zon al vrij wat kragt gekregen heeft, en dan is het welhaast zomer11. Niet ver van hier aan de helling van een berg, is eene andere spelonk, die men la Grotte ou le clos Destugue noemt; somtijds was men hier met fakkels in-, en een goed eind wegs onder den berg door gegaan, of gekropen. Hier en daar vond ik eenige hutten zeer aardig en bevallig gelegen, en het speet mij wel, dat ik met de taal van die eenvoudige lieden, met welke ik gedurig een praatje zocht te maken, niet beter te regt kon. Na eenige uren gewandeld te hebben, joeg mij de warmte naar huis. Aan de tafel vonden wij een menigte speelders, en het gesprek liep meest over het spel, en was dus voor mij van zeer weinig belang. Het was Zondag, en ik ging eens in de Kerk kijken, doch zag ’er niets bijzonders. De pastoor predikte in het Patois. ’s Avonds ging ik het Schouwspel zien; men speelt ’er in dezen tijd doorgaans Zondags. De zaal was redelijk, maar de dekoratiën en vertooners ellendig. Men gaf evenwel Fenelon ou les Religieuses de Cambrai, van Chenier; in onze taal overgezet, zoo ik meen door Uylenbroek.—Nooit heb ik iets slechters gezien, en het was wel een Treurspel, om te lagchen.

Hier heb gij nu weder wat te lezen, zoo ik tijd heb, schrijf ik nog eens van hier, en anders van Bourdeaux.

1 Deze wijze van bemesten heb ik ook hier en daar in het land van Kleef gezien, en ik ben verzekerd, dat men onze schrale duin- en heigronden, aanmerkelijk zou kunnen verbeteren, door dezelven met de vette klei of leem, die men veeltijds daar omstreeks vindt, insgelijks te bemesten. Een mijner vrienden in de Meijerij van ’s Bosch, nam ’er weinige jaren geleden de proef van en bevond ’er zich wel bij. Waarom ziet men op onze duinen geen dennen- of mastbosschen, in plaats van die ellendige helmplantingen.—De asch en straatmest hier niet te vergeten.

2 Alexander de dikke.

3 Alexander de groote.

4 Een soort van Klipgeit.

5 De Turksche tarw stond hier vrij hoog, en diende tot staken voor de snijboonen of diergelijken, die men ’er op zeer veel plaatsen bijzette. De grond hier vruchtbaar zijnde, trok men op deze wijze dubbel voordeel van den akker. De tarw wordt eerst gezet, naar ik vernam, en daar na de boonen.

6 Wel verre van sommige mijner landgenooten door deze afbeelding een meêr of min belagchelijk voorkomen te willen geven, betuig ik, dat, vooral na dat ik eenige jaren in Frankrijk, en bijzonder in Parijs heb doorgebragt, ik de zeden en eenvoudige levenswijze van den Vaderlandschen zoogenaamden Burgerstand, tot welken ik mij een eer rekene te behooren, meêr en meêr lofwaardig en verkieslijk vinde, en hartelijk wensche, dat men meêr algemeen tot denzelven moge terug komen.

7 Deze landlieden zijn, zoo als ik hier voor reeds gezegd heb, aan hunne mutsjes (berettes) te kennen; men vindt ’er wel gestelde lieden onder.

8 De graad van warmte van dit water is 43°, schaal van Réaumur. Het wordt doorgaans voor het gebruik der baden met koud water gemengd.

9 Pic du Midi de Bigorre, in onderscheiding van de Pic du Midi de Pau. Pic du Midi heet in onze taal, de piek of spitse berg van het zuiden.

10 De kappen (capelettes) van scharlaken, worden alleen maar door de gegoedsten gedragen, en zoo minvermogenden die al hebben, dragen zij dezelve niet anders dan op Zon- en Feestdagen; dagelijks hebben zij ’er een van een grof soort van laken, van een bruinachtige roode kleur, dat niet kwalijk naar onze jichtbaai gelijkt; zoo dat, indien ik hier het pootje kreeg, ik niet verlegen zou behoeven te zijn.

11 In het jaar 1787 lag ’er den 9den Mei nog sneeuw, zoo dat de benedenste weiden, en de bergen ’er hier en daar mede bedekt waren.

Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.