Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Negentiende brief (1 van 3)
Bagnères, 14 September.
Wat heeft men hier een verscheidenheid van aangename wandelingen. Den 10 dezer ging ik door eene laan met Italiaansche populieren beplant, en tusschen de bergen doorloopende, tot aan het badhuis, dat men les Eaux de Salut noemt, en dat naar gissing een kwartier van dit stadje afligt. Het gezigt van de ziekelijke en gebrekkige, die men op dezen weg ontmoet, en die veel in draagzetels gedragen worden, beneemt eenigzins het genoegelijke van deze anderzins zoo aangename wandeling. Behalve de baden, waar ik u reeds van gesproken heb, zijn ’er hier nog 12 of 14 anderen, waar van de graden van warmte verschillende zijn. Ik zal mij niet ophouden met u derzelver namen en bijzondere eigenschappen op te noemen, maar alleen zeggen, dat ’er een boekje van verscheidene bladzijden bestaat, waarin de namen, ouderdom, beroep, woonplaatsen, enz. te vinden zijn van eene menigte personen, die door de onderscheidene baden, of het inwendig gebruik der wateren van Bagnères, van onderscheidene kwalen, die daar bij worden opgegeven, zoo men zegt, genezen zijn. Anderen zeggen weder, dat de wateren van Bagnères genoegzaam geene genezende kracht hebben, en zoo dezelven al in sommige gevallen van nut kunnen zijn, zulks bijna alleen is toeteschrijven aan de warmte; welke graden van warmte eveneens aan het water kan gegeven worden op de gewone wijze. Teedere kleuren, zoo als lakmoes-blaauw, roze-rood enz. veranderen in dit water niet; het is ook zoo klaar als gewoon putwater, ten minste dat, hetwelk ik van verscheidene bronnen gezien heb; doch het plaatsje bestaat genoegzaam alleen van deze bronnen, het is dus geen wonder, dat men hier alles in het werk stelt, om ’er het gunstigst mogelijk denkbeeld van te geven, en alzoo aanhoudend volk te trekken, hoewel het spel misschien wel zoo vele klanten trekt als de bronnen. Terug komende van les Eaux de Salut1, sloeg ik ter linker zijde een smal paadje in, dat onder langs den berg loopt, tot aan een kleine eenvoudige, doch met smaak versierde fontein, waar men zich op zodenbanken kan nederzetten; langs dit wegje, dat aangenaam beplant is, ruischt een helder beekje, en aan den overkant van hetzelve is eene frissche groene weide. Hier en daar zijn banken in de rots uitgekapt. Men kan zich in dien smaak niets aangenamers verbeelden.
Het voornaamste badhuis, dat men hier vindt, wat het gebouw aanbelangt, is dat, wat men Frascati noemt. Uit nieuwsgierigheid gingen wij ons daar ook baden. Het is een vrij groot en gnap gebouw. In een’ ruimen gang zijn de ingangen van de kamertjes voor de baden; in sommige zijn ’er twee, doch in de meeste maar een. Deze baden, zijn bakken van wit marmer, zoo lang, breed en diep, dat het kloekste mensch ’er in en onder water liggen kan; uit twee kranen laat men ’er koud en warm water naar goedvinden inloopen, en in den bodem is een gat, waar men het, door ’er een stop uit te trekken, weder uitlaat. Ik maakte het water maar even laauw, zijnde alleen om mij te wasschen, anders blijft men ’er doorgaans een half uur in; sommige nemen zelfs een boek, om in het bad liggende, te lezen. Men heeft hier ook Dampbaden en douches2. Achter dit gebouw is een tuintje, waar langs een beek stroomt. Boven zijn eenige zalen om te dansen en te spelen. Het gebruik van zo een bad kost hier niet meêr dan 15 sols, doch men moet de handdoeken enz. medebrengen. Het huis, waar wij wonen, staat hier digt bij; men raadde mij dan ook zeer aan, vernemende dat ik somwijlen aan jichtpijnen onderhevig was, om aanhoudend de warme baden alhier te gebruiken, en braaf water te drinken3; doch ook vooral ten opzigte van de geneeskunde niet zeer ligtgeloovig zijnde, had ik hier in ’t geheel geen zin in, en vooral niet omdat ik thans zoo gezond ben, als ik zou kunnen verlangen.
Hier is ook een overdekte marktplaats (halle), waar men onderscheidene soorten van kramen vindt, als op een kleine kermis. Men verkoopt daar een mooi en goed soort van gebreide vrouwen halsdoeken, mans hemdrokken of kamizolen, tafelkleedjes, en zelfs beddespreijen van fijne Spaansche wol, gekleurd of wit, ik zag die nergens zoo als hier, en kocht daarom een kamizool met mouwen ’er aan, daar ik £ 13–:–: voor gaf. Deze soort van goed wordt hier niet alleen verkocht, maar ook gemaakt, en zoo om de deugdzame hoedanigheid, als om den smaak, waarmede het gewerkt is, veel gezocht.
’s Avonds was ’er bal en concert in Frascati, de zaal is fraai en ruim, aan het eind van dezelve is een klein tooneel, dat tevens voor het orchest als ’er concert is, dient; ’er was veel beau monde4, en pracht en opschik genoeg, doch naar evenredigheid weinig mooije vrouwen.—Welk een onderscheid tusschen de hut van een’ bergbewoner en deze zaal! en zij liggen omtrent maar een kwartier van elkanderen. Men ziet hier ook nog andere ruime vertrekken, alwaar men speelt of ververschingen gebruikt: dobbelspel zag ik ’er echter niet, hoewel het ’er anders, naar ik vernam, ook wel gespeeld wordt. Ieder hield zich nu meest met dansen, of het vertellen van zoetigheden aan de vrouwen bezig. In een van de vertrekken hingen eenige teekeningen van gezigten in deeze landstreek.
Daar ons voornemen was, om den volgenden morgen vroegtijdig een reisje in de gebergtens te maken, hielden wij ons hier niet lang op.
Den 11 dezer, ’s morgens om 6 uren, vertrokken wij op kleine paardjes, die aan het berg klimmen gewoon zijn, en van een geleider (guide) verzeld.
Schooner vallei dan die van Campan (la vallée de Campan) kan men zich naauwelijks verbeelden. Even buiten Bagnères komt men daar in, en indien ’er een Argus bestondt, zou men hem hier zijne oogen benijden. Men weet niet, waar men beginnen zal met beschouwen, met de frissche beemden, welker boorden door de Adour bespoeld worden, en waarin men dan eenige maaijers of hooijers, en dan weder eenig vee ziet, met de eenvoudige maar bevallige tuinen en kleine boschjes, met de nette en wel gelegen woningen bij dezelven, met de steile rotsen aan den eenen, of de groene heuvelen met weidende kudde aan den anderen kant. Alles is hier zoo belangrijk, dat men aanhoudend bevreesd is van ’er iets van te zullen missen. De Proosdij St. Paulus, (St. Paul) tusschen Baudeau en Campan, op eene kleine hoogte ter regter zijde gelegen, maakt ook eene schilderachtige vertooning. Even aan den anderen kant van dat dorp, waar naar deze vallei genoemd is, vroeg onze leidsman, of wij de spelonk (la grotte de Campan), die een eindje van den weg, in den voet van de bergen, aan de linkerhand is, wilden gaan zien; doch ik was onderrigt, dat ’er in deze spelonk niet veel bijzonders was, en de stalactites van kalkaardig albast, die ’er gevonden werd, ’er van tijd tot tijd, door Natuurkundigen, bloote nieuwsgierigen, en zelfs door de boeren hier omstreeks, die ze verkoopen, meestal waren uitgenomen. Wij verkozen dan niet om ons hierom optehouden, maar vervolgden onzen weg. Naauwelijks waren wij eenige schreden gevorderd, of twee à drie kinderen kwamen ons naloopen, en kristallen, zoo als zij het noemen, uit de grot te koop aanbieden. De landstreek blijft aanhoudend schoon, en van alle kanten levert de natuur de liefelijkste Tooneelen op. De bergen zijn hier en daar met bosch geheel bedekt, tusschen beide maken de hutten der herders op dezelven eene aardige vertooning. In 1772 opende zich in de bedding van de Adour hier omstreeks een kolk, die, gedurende vieren twintig uren, den droom geheel verzwolg, zoo dat de rivier tot aan dit gat droog was, vervolgens raakte deze kolk vol, en het water stroomde als voorheen. Men heeft opgemerkt, dat het water in dit hol onder den grond doorloopende, niet ver van Bagnères weder uitkwam.
Van het dorp St. Marie valt niets te zeggen, dan dat het eene aangename verzameling is van boerenwoningen, niet als een bekrompen straat tegen elkanderen gebouwd; maar luchtig uit een gelegen, en ieder huis genoegzaam van weilanden en tuinen omringd. Deze schakel van woningen strekt zich op die wijze uit tot voorbij Grippe, een ander dorp een uurtje verder gelegen. Hier vindt men een vrij goede herberg; wij zetten ’er onze paarden wat op stal, en lieten ons wat melk, brood, versche boter, die hier zeer goed is, en kaas geven. Van een bovenkamer, die men ons had aangewezen, hadden wij gelegenheid om ons met het schoone gezigt over de vallei, nog eens ter deeg te verlustigen. Het was hier zindelijk en net. De welvaart zonder pracht straalt in deze streek overal door. Bij dit huis was een tuin met verscheidene goede vruchtboomen, en zelfs een kleine vijver, waar door het water aanhoudend stroomde, en waarin wij verscheidene forellen zagen. Een uurtje van hier zijn marmergroeven. Nu wordt het dal allengskens enger, wij zagen de hooge bergen, die wij overtrekken moesten, voor ons, en hier begonnen wij reeds te klimmen. De Natuur vergast daar het vorschend oog weder op een heerlijk gezigt; doch van een anderen aard dan in de vallei. Links en regts zijn de bergen met pijnboomen bedekt, en de Adour maakt hier eenen schoonen waterval, van twee of drie verdiepingen. Het water, tusschen de digt aan een gesloten rotsen doorbruischende, veroorzaakt een verbazend geruisch. De kegelvormige berg l’Escalette5 vertoonde zich voor ons. Altijd klimmende, bereikten wij eene aanmerkelijke hoogte, onze paarden nu en dan leidende, om dezelve niet te veel te vermoeijen. Ondertusschen hadden wij voor en ter zijde nog hooge bergen; zoo dat men dezelve aanziende, zich zou kunnen verbeelden van beneden te zijn. Tegen de steile hellingen van sommige dier bergen, ver boven ons hoofd, zagen wij verscheidene geiten en schapen; wat verder graasden ook eenige koeijen, alle van klokjes voorzien, op dat de herder, wanneer zij afdwalen, dezelve wederom zou kunnen vinden: ook zegt men, dat dit geluid de wolven, die hier in ’t geheel niet zeldzaam zijn, afschrikt. Aanhoudend langs een gansch niet gemaklijken weg stijgende, bereikten wij den grooten en prachtigen waterval van Tramésaigues (Cascade de Tramésaigues) waar van de stroom, tusschen een bosch van pijn- of denneboomen doorkomende, zich met geweld van de rots in een aanmerkelijke diepte, langs eenige trappen, nederstort. Hier stapten wij van onze paarden, en klommen langs de steile helling van den berg naast den waterval, zoo ver wij komen konden, af.—Die zoo iets gezien heeft, geloof ik niet, dat ligt in verzoeking zal geraken, om in boschjes of lusthoven, watervallen door gemetselde beken stroomende, en van gemaakte rotsen afloopende, te maken. Ik weet, dat ’er in Zwitserland, Italië, en zelfs niet ver van hier watervallen zijn, die van veel hooger bergen of rotsen op eenmaal afstorten. Ongetwijfeld leveren zij een ontzaggelijker en grootscher vertooning op; doch zij missen dan ook het streelende en bevallige van deze. Een groot gedeelte van den nederstortenden stroom wordt hier door de dennen, die ’er langs de helling van de rots naast staan, beschaduwd, en het schuimende water maakt tegen dat donkere groen eene heerlijke vertooning. Als men ’er digt bij staat, heeft men moeite, door het sterke gedruisch, om elkanderen te verstaan; doch men wordt ’er, wanneer het warm is, zoo als heden het geval was, ook alleraangenaamst verkwikt door de frissche lucht. Na hier een poosje te hebben gerust, zagen wij een eindje hooger opklimmende, en den waterval aan de linkerhand latende, de herders- en veehoeders-hutten van Tramésaigues6.—Wie zou hier woningen voor menschen zoeken; doch men kan het ook naauwelijks woningen noemen. Een klein vierkant perk van op een gezette brokken steen gemaakt, en met platte steenen en graszoden gedekt, dient om het vee tegen het ongunstige weder, en tegen de aanvallen der beeren en wolven te beschutten; in een hoek van dit perk is een afgezonderd hokje voor den herder; alles is niet hooger en ruimer dan volstrekt noodzakelijk is. Eenige diergelijke hutten maken hier een klein gehuchtje uit. De stroom die van de Pic du Midi afloopt, slingert tusschen deze hutten door, en maakt vervolgens den schoonen waterval.—Hier wonen menschen, en in het kasteel der Tuillerien te Parijs woonen ook menschen.... De herders waren thans met het grootste deel van hun vee in de bergen, en wij zagen ’er niet anders dan een paar koeitjes, die tegen de wanden van hun’ eenvoudigen stal lagen te herkaauwen. De grond, daar aanhoudend besproeid zijnde, is hier en daar met een aangenaam groen tapijt bekleed. Men ziet hier ook een’ hoekigen blok granit, door de natuur aardig gevormd, boven den grond uitsteken7. Achter ons omziende, zagen wij langs de aanmerkelijke hoogte, die wij opgeklommen waren, in de laagte, die zich als een ruim dal vertoonde, een vrouw te paard gezeten; en met een roode kap op, volgde zij ons van verre, en scheen niet te schromen om dezen togt alleen te ondernemen. Wij meenden al wel geklommen te hebben, en waren echter nog op verre na niet op het hoogste punt, dat wij over te stijgen hadden. Door een scheiding van de bergen aan onze regterhand, of in het noord-oosten, ziet men, bij de hutten van Tramésaigues zijnde, die ontzaggelijke Pic du Midi, die een der hoogste bergen van de Pyreneën is, zich met aardige vlakken, door de valling van het licht veroorzaakt, vertoonende8. Zij heeft eene niet zeer langwerpige, kegelvormige gedaante, van hier te zien, en scheen niet ver van ons af te zijn; ondertusschen verzekerde onze leidsman, dat wij ’er (gesteld men kon ’er in een regte lijn naar toekomen) nog ruim een uur gaans af waren. De gewone weg, voor hun die dezen berg, welks top boven de oppervlakte der zee, op ruim 9000 voeten, of 1500 toises begroot wordt, willen bestijgen, is door de vallei, waar men hier door ziet. Het was nu omtrent half twaalf voor den middag9. Deze hutten verlatende, gingen wij den top van de Escalette, en vervolgens de Tourmalet bestijgen; onze goede dieren hadden daar nog wat aan te doen, en het was, hoewel hier veel luchtiger dan in de valleijen, echter te warm, om te voet te gaan, voor lieden, die zulk klimmen niet gewoon zijn. Hier begint het ’er woester uittezien; geen denneboomen, weinig gras en kruiden meêr. Overal liggen stukken en brokken steen, die van de naburige hoogtens schijnen afgerold. Welk eene hoogte! en evenwel ziet men de Pic du Midi nog altijd als een hoogen berg aan zijne zijde. Toen wij bijna de hoogte van de Tourmalet, die wij over moesten, bereikt hadden, zagen wij het water, dat onze geleider l’Eau d’Oncet10 noemde, langs de Pic du Midi afloopen; dit water maakt in het dal, naar den kant van Barèges, zich met meêr andere stroomen vereenigende, een klein riviertje, dat le Bastan genaamd wordt; welks loop geheel het tegengestelde is van de Adour, dat is te zeggen van het noord-oosten naar het zuid-westen. De helling van de Tourmalet, die wij af moesten klimmen, is vrij steil; doch het smalle wegje loopt met slingers onder elkanderen. Hier stapten wij van onze paarden af, en leidden dezelve bij den toom achter elkanderen volgende. Alles is hier woest en ontzaggelijk; voor zich ziet men in de vallei van Bastan, als in eene vreesselijke diepte. Het water op stukken en brokken rots van boven neder stroomende, ruischt aanhoudend. Boven de verheven toppen der bergen zagen wij de arenden zweven. Hadden wij den weg in het opklimmen niet gemakkelijk gevonden, hier was ’er in het afstijgen ook niet op te roemen; ondertusschen viel het mij, naar het geen men ’er mij van verteld had, aanmerkelijk mede. Eindelijk kwamen wij in een dal, en vervolgens aan eenige schrale weiden, veel verschillende van die in het dal van Campan. Beneden zijnde, zagen wij achter ons om, om de steile hoogte, die wij afgeklommen waren, te beschouwen; zij is verbazende. Men begroot die hoogte, boven de oppervlakte der zee, op omtrent 7000 voeten11. De bergen, of liever steile rotsen, welke dit dal omgeven, zijn niet met boomen en weiden bedekt, zoo als die van het dal van Campan. Men ziet ’er genoegzaam geen struikje, zoo min in het dal als op de hoogtens, alles ziet ’er naar en treurig uit. De Bastan stroomt niet zoo als de Adour langs groene weiden, maar rolt hier met een woest gedruisch geweldig over de brokken steen, die zij zelve medevoert, of die van de omliggende steiltens in dit dal afrollen. Hier en daar ziet men een magere weide, die eerder rosachtig dan groen ziet, en waarop eenige kwijnende koeijen het laatste grasscheutje nog loopen zoeken. Het onderscheid tusschen het dal van Campan en dat van Bastan, slechts door de bergen, die wij overgekomen waren, van elkanderen gescheiden, is waarlijk ontzettend. Daar heeft de natuur genoegzaam geene menschelijke hulp noodig, en hier zijn alle menschelijke krachten vereenigd, niet toereikende, om ’er maar een redelijk vruchtbaar land van te maken. De stroom zelve, door het smelten der sneeuw of stortregens zeer sterk zijnde, verwoest dikwijls de gronden, die zij moest voeden, en voert de weinige vruchtbare aarde, die hier en daar deze steenachtige bodem nog bekleedt, mede, of bedekt dezelve met steenen. Woningen en bewoners hebben een ellendig voorkomen, en alles doet zien, dat dit dal weinig geschikt is om door menschen bewoond te worden. Na een eind wegs in hetzelve te hebben afgelegd, moesten wij weder klimmen, en reden over het steenen dak van eene woning, die half in den grond gemaakt was, heen. Eindelijk na weder vrij wat gestegen te zijn, zagen wij in eene enge diepte tusschen de rotsen ter zijde van de Bastan12, de huizen van Barèges, en kwamen ’er langs een smal wegje, tegen eene steille helling bijna boven de huizen in, het was als of wij ’er door de schoorsteenen in moesten komen. Het was omtrent 3 uren na den middag, toen wij aankwamen, en wij hadden ons onder weg wel 1½ uur opgehouden, en anders altijd gegaan of stapvoets gereden, zoo dat ik reken, dat men bijna 7 uren nodig heeft, om die reis te doen, wanneer men zich niet ophoudt, ten zij men goedvindt, om van Bagnères tot Grippe de paarden te laten draven.
Men ging in onze herberg kort na onze aankomst aan tafel, het geen voor ons, die vrij hongerig waren, zeer van pas kwam. De spijszaal bestond slechts uit een houten loots; eenige huizen over en naast dezelve, waren op dezelfde wijze gebouwd, zijnde maar voor eenige zomermaanden opgeslagen; omdat de steenen huizen, die hier gestaan hebben, al een en andermaal door het nederstorten van de sneeuw, de brokken steen die zij medevoert, en de overstrooming van de Bastan verwoest geworden zijnde, men de moeite en kosten niet meêr doen wil, om ze op te bouwen. Tot onze verwondering vonden wij in deze woeste en onvruchtbare landstreek eene vrij goed middagmaal, onder anderen een geregt van klipgeiten (Izards), vleesch, dat ik zeer lekker vond, en hier voor de eerste maal at; de wijn was ook wel genoeg, en altans veel beter als te Bagnères. Wij aten met eenige kreupelen en lammen, waaronder een paar Offiçieren, die hier de baden gebruikten, de Apotheker van de plaats enz. en evenwel was men zeer vrolijk aan tafel. Ik was verwonderd over de ongemeene oplettende gedienstigheid van den Apotheker omtrent ons, doch welhaast begreep ik ’er de reden van; hoewel wij ’er niet ziekelijk uitzagen, verbeeldde zich die goede man, dat wij ter genezing van eene of andere kwaal hier naar toekwamen, en beschouwde ons dus als nieuwe klanten. Onder de gasten bevond zich een man van omtrent dertig jaren, die een verlamming in de beenen had, en, van Brugge in Vlaanderen zijnde, blijde was van in ons halve landslieden aantetreffen. Na den maaltijd hadden wij Barèges welhaast gezien; het is slechts een enkele straat langs de Bastan; aan het eene eind daar wij onze kamers hadden, zijnde wat hooger op dan daar, waar de houten lootsen staan, zijn eenige goede huizen, en lager een badhuis, dat een vrij gnap gebouw schijnt; voor het overige is ’er in dit plaatsje niets dan ellende te zien13. In ’t geheel zijn ’er vier of vijf mineraal-bronnen te Barèges, in warmte onderscheiden, de hoogste bereikt 39, en de minste 27 graden, schaal van Réaumur. Deze wateren bevatten volgens waarnemingen van verscheiden deskundigen, meêr, ter genezing van sommige kwalen, heilzame stoffen, dan die van Bagnères, bestaande voornamelijk uit zwavellever, hepar sulfuris, nitrum, zeezout, een kalkachtige, en een leemachtige aarde, en een smerige of zeepachtige stof. Deze wateren worden even als te Bagnères uit- en inwendig gebruikt14. Ik zag hier veel verminkte ziekelijke, of gebrekkelijke krijgslieden; ook waren ’er eenige Engelsche huishoudens. De luchtgesteldheid is ’er over het algemeen onaangenaam: tot in Julij toe kan het ’er somtijds koud en regenachtig zijn; veeltijds dondert het ’er geheele dagen. De wolken tusschen de bergen blijvende hangen, veroorzaken een’ dikken mist, en men ziet ’er somtijds om dezen tijd van het jaar al sneeuw. Ook wordt deze plaats niet anders bewoond dan in den tijd, dat men de wateren gebruikt, dat is van half Mei tot het begin van October; den overigen tijd blijven ’er niet meêr dan vier of vijf menschen, om zorg te dragen voor de huizen, en het weinige, dat men ’er in laat. De andere menschen gaan naar de omliggende plaatsen, vooral naar Luz, een vlek omtrent anderhalf uur van hier gelegen. De weg naar den kant van Luz levert gansch geene onaangename wandeling op: men ziet ’er tegen de helling der bergen, of aan de boorden van de Bastan, nog eenige weilanden en akkers, die niet geploegd of gespit, maar met eene soort van houweelen bewerkt worden, om ’er wat rogge op te telen; hier en daar staan zelfs nog al eenige struiken en boomen, en bij de hutten, die men ’er aantreft, zijn nog al tuintjes, waarin ik echter niet veel anders dan koolen en boonen zag staan. Ik ging omtrent een half uurtje van Barèges in zulk een hut, die door een soort van veehoeder, zijne vrouw en verscheidene kinderen bewoond werd. De man, zoo als hij mij vertelde, in zijne jeugd soldaat geweest zijnde, sprak nog al wat Fransch, en ik had daar door gelegenheid, om mij met hem te onderhouden. Deze naar het scheen goede en eenvoudige lieden, gebruikten alles bijna, wat hun vee en akkertje opbragt, en hadden niets anders te verkoopen, dan een weinig gesponnen wol, hoenderen en eijeren, die zij te Barèges ter markt bragten, en het geld dat daar van kwam diende, om eenige onontbeerlijke dingen, zoo als zout, eenige weinige kleedingstoffen enz. te koopen15. De man vertelde mij ook, dat hij gaarne een pijp tabak rookte; wat de huisraad aanbelangt, ik zag ’er genoegzaam niets anders dan het geen volstrekt noodzaaklijk was. Zes maanden van het jaar wonen deze menschen dikwijls onder de sneeuw, zoo dat zij naauwelijks een voetpaadje kunnen maken, om hun vee te geleiden, om te drinken. Hoewel de bewoners van deze streken ’er over het algemeen niet bevallig uitzien, zijn zij gezond, en men treft onder hen vele oude lieden aan; echter heb ik opgemerkt, dat ’er in deze geheele bergachtige landstreek, en zelfs aan den anderen kant van Bagnères, verscheidene vrouwen kropgezwellen hebben. Ik gaf eenige sols aan de kinderen, en zij bragten mij ’er een paar kleine stukjes rots (cristal) voor in de plaats; de herders of jagers vinden dat in de hooge spleten der rotsen hier omstreeks, doch het is ’er niet overvloedig, en wordt daarom bij de bergbewoners nog al geacht16. Die kinderen gingen in ’t geheel niet school; een Pastoor of Kapellaan leerde ze slechts een weinig den Katechismus. Vele onzer Meijerijsche landlieden zijn eenvoudig en ongeleerd, maar het zijn nog Professoren in vergelijking van deze lieden; vooral van die, welke afgezonderd in de bergen wonen. In het wederom keeren naar Barèges, ontmoette ik een fraaije koets met Heeren en Dames ’er in, en liverei bediendens ’er voor en achter op; het waren ziekelijke of gebrekkige rijken, die hier hunne gezondheid door middel van de wateren weder trachten bij een te lappen. Hadden zij altijd in de hut, waar uit ik kwam, gewoond, misschien zouden zij gezonder zijn.
Op sommige plaatsen is de Bastan hier in ’t geheel niet diep, ik zette mij, van het eene stuk steen op het andere, stappende, op een brok rots in dezelve gelegen, neder; het water bruischte om mij heên; men ziet hier duidelijk het hellen van de bedding van dit riviertje. Rondom leverde de bergen en rotsen een niet onaardig gezigt op, en de avondstond was regt aangenaam.
Te Barèges terug gekeerd, gingen wij in een soort van Koffijhuis, dat ook in een houten loots is; het dient tevens voor een dans- en concertzaal, doch het zag ’er thans akelig uit; naauwelijks waren ’er zes of acht menschen, zij zaten te spelen, en ’er brandden twee of drie kaarsen. Wij begrepen dan, dat wij niets zouden verzuimen met te gaan slapen, om, wel uitgerust, morgen vroegtijdig van hier te vertrekken.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
