Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805

Negentiende brief (2 van 3)

Twee mannen begeleiden hun paarden te voet over een smal bergpad tussen een steile rotswand en een diepe afgrond.
Illustratie: Op het smalle rotspad naar Gavarnie gaan de reizigers naast hun paarden verder

Den 12 dezer. Gisteren avond werd ik door het gedruisch van de Bastan dat ik op mijn bed, duidelijk hooren kon, in slaap gesust.—Het was nog donker, toen men mij kwam zeggen, dat wij alvorens te vertrekken, onze paspoorten hier moesten vertoonen en doen teekenen; hier over was ik niet zeer te vreden, vreezende, dat ons dat ophouden zou; doch de Commissaris van de Politie had de beleefdheid om terstond optestaan, en mij te regt te helpen. Het scheen of men ons hier voor Engelschen had aangezien, en veronderstelde, dat wij, krijgsgevangenen zijnde, wel eens over de grenzen zouden kunnen gaan. Wij reden dan ten vijf uren af. Onze leidsman verhaalde mij, dat hij volgens gewoonte, een soort van verlofbriefje had gehaald, om met de paarden tot de Spaansche grenzen te mogen gaan, en borg gesteld om den uitvoer van dezelven te verhoeden; echter daar men hem kende, was men hier omtrent nog al gemakkelijk. Gedurende de maanden, dat Barèges bewoond, en door een menigte vreemdelingen, die de wateren komen gebruiken, bezocht wordt, komt ’er behalve een Commissaris van de Policie, eene Compagnie oude krijgslieden (invalides) van het stadje Lourde.

Het was schoon helder weder, dat voor een reis in deze bergen van zeer belang is en om het gezigt en om de wegen, die hier en daar zeer smal zijnde, bij sterke regenvlagen door de steenen, of het steengruis, dat dan van de bergen rolt, en door de glibberigheid ongemakkelijk en gevaarlijk zijn.

De weg tot Luz, den stroom van de Bastan volgende, is zelfs voor rijtuigen redelijk goed, en wat de gezigten aanbelangt, hoewel tusschen de bergen bepaald, niet onaangenaam; men ziet ’er nog al groen. Deze is de groote of postweg naar Barèges. Bij Luz wordt het gezigt zeer schilderachtig; men ziet daar meêr boomen, en de nog aanzienlijke overblijfsels van het oude kasteel St. Marie, op eene op zich zelven staande steile rots, aan het inkomen van een schoon dal gelegen, en de Bastan daar langs stroomende. Dit kasteel was in vroegere tijden eene sterkte, die wegens de Koningen van Frankrijk met krijgsbenden bezet werd; onder anderen ook, om de invallen der Mooren en der Spanjaarden tegentegaan. Het dal van Luz, hoewel juist niet zoo vruchtbaar als dat van Campan, en ook minder uitgestrekt, levert toch ook een zeer aangenaam gezigt op. De Bastan minder woest en snel, omdat de grond gelijker is, stroomt door frissche groene weiden; behalve Luz ziet men ’er verscheidene aardige en digt bij elkanderen gelegen dorpjes. De bergen rondom zijn met houtgewas, en gras of kruiden bedekt, en in het flaauwe verschiet ziet men hier en daar eenige ontzaggelijke toppen boven dezelve uitsteken. Wat verder op in dit dal, vereenigt zich de Bastan met de Gave17. Te Luz hielden wij ons een poosje op, om te ontbijten. De herberg behoort aan denzelfden man, bij wien wij te Barèges geweest, en waar wij wel over te vreden waren, hoe zeer alles te Barèges duur is, omdat het land zelf genoegzaam niets oplevert, en alles ’er alzoo van andere plaatsen naar toe moet gebragt worden; de zoon en dochter van dien man, Flamand genaamd, namen hier de zaken zomers alleen waar. Wij huurden hier ook nog een paard voor onzen leidsman, en na het avondmaal, bedden, enz. besteld te hebben, begaven wij ons naar den waterval van Gavarni op reis. Luz schijnt een vrij gnap plaatsje, en is alleraangenaamst gelegen. Van daar af tot bij St. Sauveur, loopt de weg nog door een aangenaam dal, maar dan begint men te klimmen, latende de Gave aan de regterhand. Hier ligt een brug over dien stroom, om naar St. Sauveur, dat men aan den overkant laat liggen, te gaan. Dat plaatsje bestaande uit omtrent 20 huizen, meestal voor de baden dienende, en tegen de steile helling van een groenen berg, hier en daar met boomen en struiken beplant, gelegen, maakt eene allerliefste vertooning. Aan de linkerhand heeft men steile rotsen, tegen welker helling (hoewel het naauwelijks eene helling mag genaamd worden) de smalle weg gemaakt is. St. Sauveur voorbij zijnde is die weg door eenige boomen en struiken, tegen de steilte geplant, aangenaam beschaduwd. Aan de regterzijde hoort men de Gave in een diepte, hier en daar door dikke struiken bedekt, ruisschen. De bergen worden hooger en steiler, en de diepte hoe langer hoe ontzaggelijker. Onze leidsman (dien ik in ’t vervolg Antoine zal noemen) waarschuwde ons, dat wij welhaast aan een zeer smal padje moesten komen, daar wij, voorzigtigheidshalve, wel zouden doen om van de paarden aftestappen. Hij noemde dit un mauvais pas. Dit padje was hier en daar geen drie voeten breed, tegen een zeer steile rots boven een afgrijsselijke diepte uitgehouwen. Antoine raadde ons, om niet regts te zien, en ik volgde zijn’ raad. De rotsen, waar de Gave bulderende tusschen doorloopt, zijn zoo steil, en staan zoo digt bij elkander, dat men tusschen twee vreesselijke hooge muren zeer eng schijnt ingesloten; de zonnestralen hadden hier thans geen’ toegang; het licht valt ’er alleen van boven loodregt in, en dit alles maakt het nog akeliger. De paarden zelfs hoewel aan diergelijke wegen gewoon, gaan met den neus op den grond, en voelen eerst met een soort van huivering, eer zij hunne voeten nederzetten. Men spreekt niet tegen elkander; ieder is hier alleen op zich zelven bedacht; geen wonder, men behoeft slechts te struikelen, om in de diepte te morselen te vallen. En ondertusschen had het gevoel, dat ik in dezen toestand gewaar werd, meêr van het aangename dan van het onaangename. Het grootsche, ongewone, en daar bij het liefelijk schoone, want de rotsen zijn veelal van onderen tot boven met boomen en struiken bedekt, veroorzaken eene streelende bewondering, die de ongerustheid aanmerkelijk verdoofdt. Nog vreemder vertooningen te gemoet ziende, wordt men door nieuwsgierigheid gedurig aangespoord en opgewakkerd; en laten wij ter goeder trouw zijn, de hoogmoed en eerzucht heeft aan alle diergelijke ondernemingen ook vrij wat deel. Dit zoo smalle wegje was maar kort, en wij zetten ons weder te paard; nu was het pad zoo breed, dat wij eene vrouw, die een ezel met wol geladen voor zich heen dreef, voorbij konden laten. Zij ging dit voortbrengsel van hare kudde te Luz verkoopen, en spon gedurig op de plaatsen, waar den weg niet al te smal en moeijelijk was. Een eind wegs verder heeft men een pad, altijd niet veel breeder dan volstrekt noodig is, boven een diepte van 80 à 100 voeten in de harde rots uitgehouwen, en hier en daar met stukken steen op een gezet, gemaakt; dit werk, dat niet zonder zwaren arbeid geschied is, werd in 1762 uitgevoerd. Voor dien tijd verongelukten hier veeltijds menschen en vee, en men moet ’er nog zeer voorzigtig zijn. Deze toegang wordt le passage de l’Echelle genaamd, omdat hier in vroegere tijden een kleine sterke toren plagt te staan, waar men tegen de rotsen op, als tegen een ladder, naar toe moest klimmen; zij was met krijgsvolk bezet, en diende om de invallen en strooperijen aan deze grenzen te beletten. In het begin van de vorige eeuw was zij nog van veel dienst tegen eene soort van roovers en vrijbuiters uit het landschap Arragon, die men les Miquelets noemt.

Barèges.

Omtrent een kwartier verder, ziet men aan den anderen kant van de Gave, en in de laagte het gehuchtje Sia, bestaande in eenige woningen, die door eenige groote boomen beschaduwd worden. Nu loopt den weg eenklaps af, tot aan een steenen brug over de Gave liggende, eer men op de brug gaat, heeft men aan de regterhand eene bron, waar uit het frissche en heldere water aanhoudend in een’ steenen bak loopt. Antoine noemde deze bron la Fontaine de halte, omdat men gewoon is om daar een oogenblik te rusten, en menschen en vee ’er zich door een’ koelen dronk verfrisschen. Wij dronken dan ook met onze paarden als lotgenooten, slurpende uit denzelfden bak. En nu gingen wij de brug over: zij bestaat uit een enkelen boog tusschen twee digt bij elkanderen staande rotsen gemaakt, en omtrent 90 voeten boven den stroom verheven. Van deze brug, die met mosch en klimop bewassen is, heeft men een heerlijk gezigt op eenen schoonen waterval, die door de Gave, door eene enge opening tusschen twee rotsen doorloopende, gemaakt wordt, en waar over de takken der struiken, die in de spleten van die rotsen groeijen, bevallig heen zwieren. Deze brug wordt le pont l’Artigue genaamd. Het water loopt ’er met eene vreesselijke vaart onder door. De Gave aan de regterhand latende, klimt men langs een wegje, dat niet breeder is als aan den anderen kant, weder op. Men gaat onder de over den weg hangende rotsen door, vervolgens daalt men weder digter naar den stroom af; de natuur is hier woester, en men ziet ’er weinig groen. Op de hoogte, bijna zoo ver dat ik de voorwerpen naauwelijks kon onderscheiden, zag ik een herder met eenig vee en schapen. Hier en daar ziet men ook eene enkele hut. Over een houten brug, die nog al lang zijnde, in het midden door een brok granit, dat midden in den stroom door de natuur geplaatst is, ondersteund wordt, kwamen wij weder aan den anderen kant van de Gave, en van daar ziet men, een eind wegs opgeklommen zijnde, een’ waterval van een enkelen straal van een groene rots aan den overkant in de diepte storten, en deze straal water had thans dezelfde kleuren als een regenboog. Dit gezigt was verrukkelijk. Van de toppen der bergen ziet men ook het water als slingerende beken afstroomen. Hier is de weg niet verschrikkelijk meêr, maar integendeel alleraangenaamst; langs denzelven staan heggen van palm, en men gaat onder groene gewelven, door noten- en andere boomen gemaakt, door. Op zeer verheven en ijsselijke steiltens, zagen wij de koeijen gerust weiden. Eer dat men te Pragnères, een alleraangenaamst gelegen dorp, in het midden van een groen dal, komt, gaat men door een stroom of Gave, die men le Gave de Pragnères noemt. Deze stroom komt van de bergen Neouvielle geheeten18, omdat ’er altijd sneeuw ligt, en wordt door die aanhoudend smeltende sneeuw veroorzaakt; zij vereenigt zich het dal doorslingerende met de Gave, daar onze weg langs loopt. Pragnères ligt omtrent 1½ uur van Luz. Tot nu toe hadden wij altijd tusschen de bergen ingesloten geweest, en waren blijde, van ons eens in een ruim dal te bevinden. De huizen zien ’er hier over het algemeen gnap uit, en men kan zien, dat het den menschen in dezen afgezonderden staat niet kwalijk gaat: eenige kinderen, die voor de huizen onder de boomen, die ’er voor stonden, lagen te spelen, zagen ’er frisch uit. Ik zag hier weder een vrouw met een vrij groot kropgezwel (Goitre)19. Deze in der daad bekoorlijke vlakte verlatende, klommen wij meêr langs de Gave op. De weg is hier, hoewel altijd smal, dan hoog en dan laag, echter vrij goed, en veelal aangenaam beschaduwd, en met heggen van palm, die hier en daar vrij hoog en zwaar is, bezet. De landstreek verliest weder veel van zijne bevalligheid. Men ziet den berg Comelie, die eene schoone vertooning maakt, voor zich. De natuur wordt weder vriendelijker. De Gave stroomt minder geweldig; hier en daar vertoonen zich eenige woningen; een nieuw dal opent zich, en wij naderden het dorp Gedro of Gedre. Antoine deed ons in het verschiet den met sneeuw bedekten top van den berg, dien men Marboré20 noemt, opmerken. Hier las ik op een bord voor een huis geplaatst Douanes Nationales. Wie zou in deze bergen een tolhuis zoeken; ondertusschen worden ’er op paarden en muilezels tusschen dezelve door, nog al eenige goederen in en uit Spanje gebragt, en de smokkelaars stellen zich veeltijds aan nog gevaarlijker wegen, dan men hier aantreft, bloot. Men komt over een brug, die over den stroom ligt, welke men le Gave de Héas noemt, omdat zij door het dal van dien naam loopt. Van daar ziet men tusschen de rotsen in de diepte, een soort van hol, waar het water uitstroomt, zijnde van boven door takken en struiken zeer digt gedekt, zoo dat het licht ’er naauwelijks door schijnt. De stroom maakt ’er een kleinen waterval, en dit groene gewelf noemt men niet zeer eigenlijk dunkt mij la Grotte de Gedre. Men kan ’er uit een huis dat bij deze brug staat bijkomen. In een ander oord zou deze zoogenaamde grot, zeker eene aardige en romaneske vertooning maken; doch hier, daar de natuur zoo vele groote en verbazende schoonheden oplevert, scheen zij mij minder belangrijk.

Gedre, en het bekoorlijk dal van dien naam, ligt aan den voet van den berg Comelie, omtrent 3 uren van Luz. Het dorp voorbij zijnde, klimt men langs dezen berg op. Antoine wees mij op de hoogte in het verschiet een paal, die hij zeide op de grensscheiding tusschen Frankrijk en Spanje te staan. Nu begint het ’er eerst regt woest uit te zien: hier slingert de weg tusschen ontzaggelijke brokken rots21, op en onder elkanderen liggende, door. Sommigen zijn geheel van boven neder in de Gave gerold, en hebben den stroom genoodzaakt om van loop te veranderen of zich te verdeelen. De rots, waarvan die vervaarlijke klompen afgevallen zijn, hangt in eene dreigende houding den voorbijganger boven het hoofd; hier en daar gaat men onder afgrijsselijke zware stukken door, die naauwelijks genoegzaam ondersteund, en gereed schijnen, om al wat ’er onder komt te verpletteren. Welk een arbeid moet het niet gekost hebben, om hier een’ weg, hoe dat hij dan ook is, door te maken; en het is wel te vreezen, dat men dien arbeid, indien het mogelijk is, nog zal moeten hervatten; zijnde het maar al te waarschijnlijk, dat ’er nog meêr van boven neder zal storten. Ook komen ’er, volgens het zeggen van Antoine, nog dikwijls stukken afrollen, vooral bij het smelten der sneeuw. Geen groen struikje of kruidje is hier te zien, niet anders dan brokken rots en lucht. De stroom van de Gave, die hier veel belemmerd wordt in zijn loop, maakt een donderend gedruisch. Het tooneel is allerontzaggelijkst, en toch zag ik het met een zekere aandoening van genoegen, zoo wel als van verbaasdheid. Jammer is het, dat men zich niet op een’ grooteren afstand kan plaatsen, om van daar op eenmaal deze afgrijsselijke puinhoopen der natuur te overzien. Te regt wordt deze plaats le Cahos22 genaamd, want waarlijk hier schijnt het als of de Eeuwige Almagt pas begonnen was met de eerste hand, als ’t ware, aan het werk der Schepping te leggen, en de ruwe stof pas uit het niet was voortgebragt. De weg in dezen Cahos scheen mij wel een kwartier lang te zijn.

Aan den overkant van de Gave stort een heerlijke waterval, dien men la Cascade Saussa23 noemt. Van eene zeer aanzienelijke hoogte vallende, vormt hij een’ schoonen straal, die langs drie of vier trappen in de diepte stort.

Uit den Cahos komende, gaat men digt voorbij de plaats, waar zeventig à tachtig jaren geleden eene smelterij plagt te zijn van een lood- en zilvermijn, die niet ver van daar bestaat, doch thans geheel in het verval is.

Waterval van Gavarnie.

Altijd opklimmende, ziet men al meêr en meêr de sneeuw, die hier en daar op de in het verschiet gelegen bergen ligt. Vervolgens aan de regterhand doet zich het dal le Val d’Ossone24 genaamd op; hier ziet men weder verscheidene stroomtjes en watervallen boven elkanderen, en door het frissche loof afruisschen. Altijd opklimmende, verheft men zich op eene aanmerkelijke hoogte boven de Gave. Wat gemeenzamer met de smalle wegen en afgronden langs dezelve geworden zijnde, waagde ik het al eens, om ’erin te zien. Hier bevond ik mij op de rand van een steile diepte, die op omtrent 150 voeten geschat wordt; de Gave stort zich in dezelve van een hoogere bedding met een ontzaggelijk geweld neder.—De landstreek wordt vooral ook door het boschachtige, dat ’er zich in opdoet, weder zeer schilderachtig. Van verre ziet men reeds den vooral in deze streek zoo befaamden waterval van Gavarnie, van de met sneeuw bedekte bergen afstorten25. Men meent ’er reeds digt bij te zijn, en, ondertusschen is men ’er nog wel een groot uur van daan. Aan onze linkerzijde tegen de helling van eenen groenen berg, vertoonde zich een herder met eenige schapen en geiten. De diepte aan de regterhand door de takken der boomen en struiken bedekt zijnde, schijnt minder vervaarlijk. Eenige steenberken26 onder anderen, welker takken, even als die der treurwilligen, met lange slingers bevallig over de diepte heen schommelden, maakte hier een fraaije uitwerking. Men gaat de Gave weder over, over een’ houten brug, die le pont Barygui genaamt wordt. Niet, ver van deze brug, die over een aanmerkelijke diepte van de eene rots op de andere ligt, is de herberg van Gavarnie; hier stapten wij af, en gingen, na ons een weinig ververscht te hebben, te voet naar den waterval, want men kan niet wel verder dan nog een eind wegs te paard komen, en daar staan geen huizen. Het dorpje zelve is een weinig verder dan de herberg; wij zagen ’er een gedeelte van bestaande in eenige zeer eenvoudige huisjes. Buiten het dorpje zijnde, heeft men tusschen twee hoogtens waar den weg midden doorloopt, een heerlijk gezigt op den waterval en de steile rotsen. Men gaat door een dal, vervolgens over een smal brugje over de Gave liggende. Op een hoogte geklommen zijnde, en ongeduldig, om den waterval van nabij te zien, meent men ’er pas eenige schreden van af te zijn, doch men bedriegt zich; langs een vrij ongemakkelijken weg afklimmende, komt men eindelijk aan den ingang van het laatste dal, en wel dra wordt men verrukt door de majestueuse vertooning, die de natuur hier oplevert. Regt uit is het ruime dal door hemelhooge rotsen, halve cirkels gewijze omgeven; deze rotsen zijn boven aan met eene soort van trappen, en gelijken in der daad niet kwalijk naar de zitbanken waarmede de oude Amphithéaters omgeven waren, waarom deze plaats dan ook vrij algemeen le Cirque de Gavarnie27 genaamd wordt. Deze ontzaggelijke muren zijn hier en daar met eeuwige sneeuw of ijs bedekt, en boven dezelven steken nog andere rotsen als torens uit, zij worden les tours de Marboré genaamd28. Van deze rotsen aan de linkerzijde, stort de voorname waterval ruim een derde van de hoogte29 die op 1266 voeten begroot wordt, zonder de rots te raken, op een uitstek, van daar op een ander, en vervolgens tot beneden, van waar zij onder een gewelf of brug van sneeuw doorloopt. Deze brug slechts van sneeuw, en niet van ijs, zoo als sommigen gemeend hebben, te zamengesteld zijnde, is het vooral in dit jaargetij, wanneer dezelve al aanmerkelijk gesmolten is, niet raadzaam om ’er op te gaan. Hier en daar in dit dal, op de plaatsen, waar de zon niet komt, blijft de sneeuw ook genoegzaam altijd liggen. Rondom ziet men nog verscheidene kleine watervallen, die zich alle tot een stroom vereenigen, en de oorsprong zijn van de Gave van Pau30. De groote waterval stort uit een meer, dat boven op den berg is. Het suissend en kletterend geluid van denzelven vervrolijkt nog eenigzins deze eenzame woestenij; maar als men niet door en door nat wil worden door het water, dat ’er als een stofregen afvliegt, moet men ’er niet te digt bij komen. Aan den regterkant, over den grooten waterval, boven op de rotsen, is een soort van doorgang, die men la bréche de Roland noemt. Als men daar door is, komt men op Spaansch grondgebied; de smokkelaars maken van deze ongemakkelijken en gevaarlijken weg nog al gebruik. Aan den kant van den grooten waterval, maar veel digter naar Gavarnie toe, maakt een bosch van pijn- of denneboomen, tegen deze rotsen, in dit tooneel een fraaije verscheidenheid, en beneemt ’er eenigzins het treurige en ontzaggelijke van. Ieder die zoo als wij in dit jaargetij hier naar toe komen wandelen, en dus warm zijn, mogen zich wel in acht nemen om ’er niet stil te staan, veel minder te gaan zitten; want het is ’er al vrij koel. Terug keerende, stond ik dikwijls stil, om op verschillende afstanden den waterval en omliggende rotsen te zien. Overal is het schoon, doch op een zekeren afstand komt mij het gezigt veel schilderachtiger voor dan digt bij, hoewel het daar weder grootscher en ontzaggelijker is. Ondertusschen schoon deze waterval te regt verdient bewondert te worden, als zijnde de hoogste die in Europa bekend is31, en de reusachtige rotsen, die dezelve omringen, zoo wel als derzelver gedaante, een nog luisterrijker en verbazender aanzien aan dit alles geven, had het echter op mij dien invloed niet, noch verwekte die aandoening als de bron van Vaucluse; misschien omdat het tooneel, daar veel enger en beperkter zijnde, meêr onder ons bereik valt, of omdat ik reeds meêr gewoon was aan diergelijke gezigten. Bij de huizen bleef ik mij omkeerende een poos stil staan, om het gezigt tusschen de twee hoogtens door, waar ik hier boven van gesproken heb, nog eens ter deeg te genieten32. Onze paarden hadden nu goed tijd gehad om te eten en te rusten, want wij waren meêr dan 2 uren uitgebleven33; de sneeuwbrug wordt op ruim drie kwartier van de herberg gerekend. Het ziet ’er in deze herberg nog al gnap uit; doch wij vonden ’er niet veel anders dan melk, brood, kaas en zeer lekkere boter. De Fransche wijn was niet te breed, en de Spaansche, hoewel goed in zijne soort, was te walgelijk zoet; trouwens ons oogmerk was ook niet, om hier lang te vertoeven; daar wij voor het vallen van den avond weder te Luz wilden zijn, en dat is nog ruim 4 uren van daar. Het huishouden bestond uit een jonge man en vrouw, een bejaarden vader en een paar dienende huisgenooten. De oude man en zijn zoon spraken nog al redelijk Fransch, zoo dat ik mij gemakkelijk met hun kon onderhouden. Die lieden kwamen mij vriendelijk en geschikt voor. Behalve de nering van hunne herberg, meestal door de reizigers die door dezen smallen weg naar de een of andere Spaansche plaats gingen, of ’er van daan kwamen34, bestond hun voorname bedrijf in de veehoederij en de jagt; en naar ik merkte, scheen vooral de oude man een stoute jager in zijn tijd geweest te zijn, en nog wel op de wolven en beeren af te durven gaan. Ik bespeurde duidelijk, dat het hem leed deed, dat hij de Izard’s niet meêr tot op de steile toppen der hooge rotsen vervolgen kon. Hij verhaalde mij ook, dat men in deze streken lynxen vindt35, die zeer veel kwaad aan de jagt doen; dat ’er in de valleijen en vruchtbare streken patrijzen gevonden werden van een licht grijze kleur, doch weinig hazen. Hij sprak mij ook van een grooten vogel, die hij Paus de Montagne noemde; naar ik begreep, en ook na dat Antoine mij beduidde, moeten het korhoenderen zijn.

In den zomer is het hier voor menschen, die aan deze smalle en gevaarlijke wegen gewoon zijn, zeer wel om te houden; maar gedurende die lange winters, wanneer door de sneeuw genoegzaam alle toegang afgesneden is, en de hongerige roofdieren tot bij hunne woningen komen, moet het ’er allerakeligst zijn. Met dat al schenen zij met hun lot wel te vreden, en hadden een vrij juist denkbeeld van vele onaangenaamheden, die aan een uitgebreider maatschappelijke zamenleving verknocht zijn. Deze lieden nu en dan met vreemdelingen omgaande, waren daar door nog al eenigzins, zoo als men het noemt, beschaafd geworden; maar hunne naburen, vooral die, welke verder van den weg afwonen, zijn veel eenvoudiger. Over het algemeen zijn zij zeer bijgeloovig, en houden zich bijzonder met vertellingen van spokerijen en duivelarijen op; geen wonder, zij hebben geen andere onderwijzers dan hunne Priesters, die zekerlijk niet van de verlichtste en onbevooroordeelste zijn.

Gavarnie behoorde voorheen aan de orde der Tempeliers, die hier een Klooster hadden, waarvan bij de Pastorij en de Kerk nog eenige overblijfsels te zien zijn, en daar na aan de order van Maltha. Naar ik vernam, bevat dit dorpje niet meêr dan omtrent 150 inwoners. Ik zag ’er, zoo als in deze geheele streek, wel eenige groote en welgespierde mannen, doch naauwelijks eene enkele vrouw, die ’er maar redelijk wel uitzag. Twijfelende of mijn horlogie wel goed ging, vroeg ik hoe laat het was; ’er was geen klok of ander uurwerk; doch men riep de oude man, om op een soort van houten zonnewijzer, waar hij de bewaarder van was, te zien. Deze zonnewijzer, dien zij montre solaire noemen, is van palmhout gedraaid, omtrent 4 duim lang, en nog geen duim over kruis dik; het gelijkt veel op een gewigtje van een klok, rondom staan de uren en maanden geteekend. Door een knopje dat ’er boven in zit, draait men een blikken wijzertje, op de streep van die maand, waarin men is, en houdt het dan aan een koordje of iets diergelijks hangende, met dat wijzertje tegen over de zon; en op die wijze wordt het uur aangewezen. Het was omtrent twee uren, toen wij van Gavarnie afreden; bij de brug kwamen wij een paar Spaansche herders op muilezels gezeten tegen, zij schenen hun zondagspak aan te hebben, dat met een menigte kleine knoopjes versierd was. In het heen rijden had ik op vele plaatsen meest de hoogtens bekeken, doch thans zag ik al stoutmoedig in de verschrikkelijkste dieptens. Alles van een’ anderen kant ziende, want in het heen rijden hadden wij weinig om gezien, hadden de bergen weder eene gansch andere gedaante, en de natuur leverde alzoo weder nieuwe en allerschoonste vertooningen op. Bij het dal van Gedre onder anderen, zagen wij aan het eind van het doorzigt voor ons, tusschen twee in de schaduw staande hellingen van hooge rotsen, als een V bij elkanderen loopende, den top van een anderen veel verder gelegen, en door de zon geheel verlichten top van een andere rots, in de gedaante van een A zoo het scheen regt in het midden staan. Op verscheidene plaatsen daar wij ’s morgens van de paarden af waren gestapt, bleven wij ’er nu op zitten. Somtijds hangt het eene been over de diepte, en met het andere raakt men bijna tegen de steile rots aan den anderen kant van den weg. Op eenige plaatsen gingen wij echter te voet, niet alleen om het smalle padje, maar ook omdat het somwijlen steil afloopende was, op losse steenen en gruis van de rotsen, zoodat de paarden hun voeten dikwijls niet vast kunnen zetten. Nogmaals bewonderde ik de voorzigtigheid, met welke die dieren hier gaan, en bevond, zoo als Antoine ons ook gezegd had, dat men best deed, van hun naar hunne eigen zin maar te laten loopen, houdende den toom echter zoodanig, dat men ingeval zij struikelden, ze eenigzins zou kunnen ophouden. Aan de bron bij de brug gekomen zijnde, verzocht Antoine ons weder om stil te houden en de paarden te laten drinken, ik beschouwde ondertusschen nog eens het schoone gezigt dat men hier heeft. Wij hadden aan den kant van de Gave hier en daar menschen gezien, die forellen met den hengel vingen. Langs dezen weg ziet men ook enkele woningen; sommige kleine wichten speelden op den rand van een ontzaggelijke diepte; ik ijsde ’er van, doch zij zijn dat gewoon.

Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.