Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Negentiende brief (3 van 3)
Omtrent 6½ uur kwamen wij weder te Luz; terwijl het nog dag was, maakte ik daar gebruik van om in die bekoorlijke vlakte te wandelen. Vier of vijf dorpjes liggen allerliefst in dezelve. Sommige weiden waren met groote platte steenen regt over eind gezet, in plaats van met hagen, omringd; men was ’er ook nog bezig met hooijen, want het is hier meest weiland, dat ’er groen en tierig uitzag. Men had mij verhaald, dat ’er in een van deze dorpjes, Visos geheten, een geslacht van buitengemeen lange menschen plagt te bestaan, waarvan sommigen tot bij de acht voeten haalden, en welke menschen zeer oud werden; dit werd mij hier bevestigd, doch komt het mij daarom nog niet ontwijfelbaar voor; te meêr, daar de bewoners van deze landstreek zoo ligt genegen zijn om vreemde dingen en sprookjes te gelooven36. In de herberg terug komende, kon ik het, hoewel het heden vrij warm geweest was, zeer wel bij het vuur houden; en vermaakte mij met aan den gemeenen haard met den hospes en een paar boeren te praten. Het moet van de lieden aan deze kanten zeggen, dat vele onder hen zeer wel gevoelen, dat de vreemdelingen, van alle kanten naar Barèges en andere omliggende plaatsen, waar warme of minerale bronnen zijn, toe komende, hun nog al wat geld aanbrengen, en ze daarom nog al met oplettenheid en eene soort van onderscheiding behandelen. Van onveiligheid der wegen, niettegenstaande ’er zoo vele woeste en eenzame streken zijn, hoort men dan ook weinig, en, naar ik vernam, indien vreemdelingen over eenigen overlast klaagden, zou het grootste deel der inwoners van het dorp, of de plaats, waar zulks geschied mogt zijn, ’er zich zeer aan gelegen laten liggen.
Wij hadden een lekker avondmaal, en door de beweging die wij zonder veel te gebruiken gemaakt hadden, en door de smakelijke spijzen, waaronder een Izard’s bout en uitmuntende forellen, en daar bij wijn, dien wij sedert eenigen tijd zoo goed niet gewoon waren.
Den 13 dezer. Daar wij den ganschen dag voorhanden hadden, vertrokken wij eerst om 6 uren ’s morgens. Onderrigt zijnde, dat hier diergelijke houten zak-zonnewijzers, als ik te Gavarnie gezien had, gemaakt werden, kocht ik ’er een voor slechts eenige stuivers37. Over onze herberg waren wij ook bijzonder te vreden.
Den grooten of postweg nemende, kwamen wij, na de vallei doorgereden te zijn, wederom tusschen de rotsen langs de Gave, en klommen redelijk hoog, doch de weg is hier breed genoeg. Wij reden, en hadden alles om ons nog in de schaduw, terwijl de hooge toppen der rotsen en bergen reeds door de zon verlicht waren. Aan onze linkerhand gingen wij over eene houten brug over de Gave; men vindt hier een soort van bruggen die zeer ligt schijnen, doch inderdaad stevig zijn; zij zijn aardig gemaakt. Deze moest door een’ steenen vervangen worden, en men was reeds bezig, om de steenen te bewerken, die men in de nabij gelegen rotsen overvloedig vindt, en schenen te behooren tot de soort, die men bij ons blaauwe arduinsteen noemt. Vervolgens wederom eene andere brug overgaande, heeft men wat verder aan de linkerhand het dorpje Viscos, en aan de regter Chiéze; men komt nog over eenige bruggen, de boorden van de Gave, en de engte tusschen twee ketens van rotsen verlatende, in een alleraangenaamst dal. De weg is tot hier toe, om te voet of te paard te gaan, zeer goed, maar met rijtuig moet zij niet over hebben; op sommige plaatsen rollen of schuiven de schilfers van eene soort van schaliesteen bij zware regenvlagen, en het smelten van de sneeuw, in een groote hoeveelheid van boven neder, bedekken den weg, en maken dien somtijds onbruikbaar; dit vereischt een gedurig en kostbaar onderhoud. Hier en daar, waar zij wat smal langs de diepte is, zijn ’er schutmuurtjes gemaakt. Antoine noemde dit dal Veille Longue. Nu kwamen wij te Pierrefitte, een gnap dorp en verrukkelijk gelegen; hetzelve wordt op omtrent 3 uren van Luz gerekend. Men heeft hier veel schaduw, vooral van zwaare noten- en castanje-boomen. Ik zag ’er ook wijngaarden, die ongemeen hoog en zwaar waren, tusschen kersen of andere boomtjes staan, en hunne ranken aan dezelve vasthechtende, zoo als ik reeds gezegd heb. De verscheidenheid der gezigten, die men hier overal heeft, is alleraangenaamst. De Abdij St. Savin aan de linkerhand op een’ heuvel met boomen beplant gelegen, ziet men boven het digte lommer van dezelve uitsteken, en alzoo dit schilderachtig landschap door een nieuw voorwerp verrijken. Achter ons zagen wij nog die hooge, spitse, en hier en daar met sneeuw bedekte rotsen, die wij gisteren nader bij hadden leeren kennen—eenige hout-zaagmolens door het water bewogen, en zeer aangenaam gelegen, deden zich op.—Men gaat over eene fraaije steenen brug, die over de Gave ligt.—De weg stijgt weder vrij hoog langs de helling van een rots langs de Gave, die men aan de linkerhand heeft. Hier en daar was men drok bezig, om langs dezelve muurtjes te maken, om het gevaar vooral voor de rijtuigen te verhoeden. Welhaast wordt men het stadje Lourde gewaar. Wij kwamen ’er tegen den middag aan. Het was ’er juist marktdag; op eene ruime plaats door boomen beschaduwd stond een groote menigte paarden, muilezels en rundvee. Hier schijnt men de wreedheid niet te hebben, van het kalf, zoodra het geboren is, aan zijne moeder te ontrukken; want ik zag ’er hier verscheiden die zogen; dit belette niet, dat de koeijen tevens gemolken werden38. Verder op in de straten, en op een andere marktplaats, was het vol kooplieden in linnens, vlas, wol, en meêr onderscheidene soorten van waren. ’Er stonden verscheidene kraamtjes, en het was ’er zoo vol, dat men moeite had, om ’er door te komen. De groote menigte roode kappen (capelettes) maakte hier ook weder eene zonderlinge vertooning; geene eene vrouw zag men ’er bijna zonder, en zij waren nu op haar zondags opgeschikt. Rondom Lourde wordt vlas geteeld; in die plaats zijn vele linnenweverijen, en de bonte neusdoeken, die ’er in menigte gemaakt worden, zijn beroemd, en worden hier omstreeks vooral zeer veel gedragen. De naburige Spanjaarden komen hier ook veel ter markt; doch het scheen mij toe, dat zij genoegzaam hetzelfde Patois spreken, als de bewoners van dit gedeelte der Fransche Pyreneën. De vrouwen, die wij hier op de markt en in de straten zagen, hadden genoegzaam alle den spinrok op zijde tusschen hun rokken steken 39, en velen dreven al spinnende handel, praatten, liepen heen en weder enz. zij sponnen vlas en wol. Uit het Posthuis, een vrij groote herberg, waar wij onzen intrek genomen hadden, om het middagmaal te nemen, ziet men op de markt; en ik vermaakte mij met de drukte, en het gewoel van de menigte, waaronder het grootste deel half rood was. De handel in dit plaatsje schijnt aanmerkelijk te zijn; want naar ik vernam, heeft zulk een markt alle veertien dagen op Donderdag plaats. Zij verdient wel gezien te worden.
Kleeding der bergbewoners.
Op een rots bij dit Lourde, ligt een soort van vesting of sterk kasteel, in vroegere tijden door de Graven van Bigorre, vervolgens door andere geslachten bezeten, eindelijk een eigendom van de kroon van Frankrijk geworden, en voor een Staatsgevangenis gebruikt, waar toe het nog heden dient: twee personen in het regtsgeding van de beruchte zamenzwering tegen het leven van den eerste Consul Bonaparte begrepen, worden ’er, naar ik vernam, bewaard; het aangenaam gezigt dat zij van daar kunnen hebben, kan dezen kerker nog al veel dragelijker maken dan zoo vele anderen. Dit kasteel met de stad, stond in het laatst van de 14e eeuw, in het bezit van de Engelschen zijnde, eene belegering uit tegen de krijgsmagt van Karel den V., Koning van Frankrijk, en hield het vol.
Ik zag hier een zeer groote zware koets van een wonderlijk maaksel, die met reizigers uit Spanje kwam, met zes muilezels en met een menigte touwen bespannen was.
In onze herberg was het zoo drok, dat wij naauwelijks te eten konden krijgen; het maal was ’er dan ook op verre zoo goed niet als te Luz, en wij betaalden evenwel den gewonen prijs.
Zonderling dat ik onder het groot aantal van vrouwen, die hier van de plaatsen rondom verzameld waren, ’er weder genoegzaam geen eene vond, die ’er maar zeer redelijk wel uitzag. Velen hadden kropgezwellen.
Om drie uren verlieten wij, en met ons een aantal menschen en vee, dit neringrijke en naar allen schijn zeer welvarend plaatsje; wij waren nu nog omtrent 3 goede uren van Bagnères, langs den weg, dien wij te nemen hadden. Luz en deze laatstgenoemde plaats rekent men over Pierrefitte op ruim acht uren. De weg levert minder verscheidenheid van gezigten op dan aan den anderen kant; doch is echter aangenaam en hier en daar lommerrijk. Te Lourde verlaat men de boorden van de Gave, die daar langs de stad stroomt, om den weg naar den kant van Tarbes inteslaan, tusschen welke stad en Bagnères, een goed eind beneden deze laatste plaats, men dan ook uitkomt; zoo veel moet men uithoofde van de bergen omrijden. Het was zes uren, toen wij wel voldaan over dit reisje, te Bagnères te rug gekeerd waren.
Den 14 September. Na den gansche voormiddag doorgebragt te hebben met dit dagverhaal voor u in orde te brengen, kwamen zij mij roepen, om een levendige Izard, in onze buurt op een binnenplaats loopende, te gaan zien. Het beestje was pas drie maanden oud. Men had het zeer jong gevangen en hier opgevoed. Het geleek naar een jong bokje, zijn hoorntjes begonnen even voor den dag te komen. Het was rosachtig van kleur, en had de achterbeenen langer dan de voorste, kunnende daardoor zeer goed springen. Ook was het in een paar sprongen een trap van verscheidene treden, op deze plaats staande, op. Hoewel met de lieden van het huis nog al gemeenzaam, was het voor ons zeer schuw, trachtte zich gedurig te verschuilen, en maakte een steenend geluid, als wij het wilden opvatten.—Hoe gaarne had ik dit diertje in de nabijgelegen bergen zijne vrijheid gegeven40.
Aan tafel wierden weder een menigte voorvallen, die bij het spel plaats gehad hadden, verhaald; onder anderen, dat den vorigen avond een speler door wanhoop verwoed, zich vreesselijk had aangesteld, en een stoel tot splinters had van een geslagen. De wacht was ’er aan te pas gekomen. Vele van onze dischgenooten lagchten en staken hier den spot mede. Toen ik van tafel kwam, lokte mij een trompetter bij een hoop volks, die op de plaats digt bij het speelhuis stond. Een fraai paard met zadel en toom werd ’er aan den meestbiedenden verkocht, het had aan een’ ongelukkigen speler behoort. Dergelijke verkoopingen vallen hier schier dagelijks voor. Zwendelaars en leenders op pand, ontbreken hier ook niet; en helaas! indien de wateren van Bagnères, en andere plaatsjes in deze landstreek, eenig voordeel aan derzelver bewoners opleveren, zij maken ook, dat ’er zeer veel zedenbederf onder die eenvoudige en anders zoo nabij den natuurstaat levende menschen wordt gebragt.
Zoo gij iemand kent, die deze bergen mogt komen bezoeken, kunt gij hem onzen geleider Antoine Idrac, alhier woonachtig, als een goed en geschikt man, aanbevelen. Die wat goed lach’s zijn, zal hij daartoe nog al eens stof verschaffen, door een aanwendsel dat hij heeft van schier overal de woorden c’est fort inutile41 bij te voegen, hoe ten onpasse het ’er ook dikwijls bijkomt.
1 Wateren des heils. Wanneer dit water slechts eenige van al die genezingen, die men ’er aan toeschrijft, veroorzaakt heeft, verdient het met alle regt dien naam. Het wordt zoo wel in- als uitwendig gebruikt.
2 Douches noemt men een straal water of druip, die men op het een of ander gebrekkig deel laat loopen of druipen. Men heeft te Bagnères ook modder- of slijkbaden.
3 Sommige lieden drinken van dat water 50 en meêr glazen, van 4 of 5 in een fles, daags. Ik heb toch moeite om te gelooven, dat zoo een ongemeene groote hoeveelheid vocht goed kan zijn.
4 Door beau monde verstaan de Franschen lieden, die naar de mode gekleed zijn, naar de mode weten te spreken, en zich naar de mode bewegen. In den eigenlijken zin geloof ik niet, dat men een andere beteekenis aan dit woord kan hechten, ten zij men ’er nog wat onderscheid van stand of beroep bij wilde voegen; doch dit laatste komt in eene openbaare t’zamenkomst als deze in geen aanmerking.
5 Escalette beteekent laddertje, om dat de slingerende weg met eene soort van trappen gemaakt is.
6 Tramesaigues beteekent in de landtaal, te zamenloop van wateren.
7 Men vindt ’er een afbeelding van in het Natuurkundig werk van den Heer Ramond, genaamd Voyages au Mont perdu et dans la partie adjacante des hautes Pyrenées, Paris Belin 1801.
8 De afbeelding daar van, vindt men in het reeds genoemde werk van Ramond.
9 Ik had het ’er op aangelegd, om mij omtrent dit uur hier te bevinden, om dat men, volgens den Heer Ramond, de Pic tusschen elven en tweeën, als dan volkomen door de zon verlicht zijnde, het beste ziet.
10 Aldus genaamd, om dat het uit het meer d’Oncet, op de Pic du Midi, omtrent 300 toises lager dan de top gelegen, voortvloeit.
11 Francois Pasumot, in zijn werk genaamd Voyages Physiques dans les Pyrenées in 1788 en 1789 etc. Paris 1797, stelt de hoogte van den weg over de Tourmalet iets lager dan het meer d’Oncet op de Pic du Midi, welk meer men in dat werk in een plaat, de hoogte der bergen aanduidende, op omtrent 1200 toises geteekend vindt.
12 Bastan beteekend in de landtaal verwoester.
13 Het gezigt uit hetzelve naar den kant van Luz, tegen hooge bergen is nog al teekenachtig.
14 Wanneer men omtrent den aard, de eigenschappen enz. van deze wateren meêr wil weten, kan men behalve de werken van Ramond en Pasumot, waarvan hier voor reeds gesproken is, daar onder anderen nog op nazien een werk genaamd: Memoire sur les eaux minérales et établissemens thermeaux des Pyrenées etc. publié par ordre du Comité de Salut Public. Paris An 3.
15 Deze bergbewoners dragen bij koud en regenachtig weder, korte mantels van een bruinachtig soort van grof laken of pij, met een kap van dezelfde stof; de roode capeletten der vrouwen heb ik reeds beschreven. Van mijne geringe teekenkunde gebruik makende, heb ik een man en een vrouw in dat nog al zonderling gewaad voor u afgeschetst.
16 Men vindt in die rotsen ook veel Amiante, de inwoners noemen het linet, of lin incombustible (onverbrandbaar vlas) de langste vlokken uitzoekende, maken zij die nat, en weten ze dan tot bandjes enz. te vlechten, ook zeide men mij, dat zij ’er gebruik van maken, om in de lampen te branden. Men bood ’er mij van te koop aan te Barèges.
17 Alle snelle stroomen (torrens) worden hier gave genaamd, en men voegt ’er doorgaans, om dezelve te onderscheiden, den naam van het dal daar zij doorloopen, of iets diergelijks bij, zoo als le gave de Pau, le gave de Héas, le gave de Bastan etc.
18 Neouvielle beteekent in de landtaal oude sneeuw, omdat de toppen dier bergen, tot de hoogste der Pyreneën behoorende (zijnde nog hooger dan de Pic du Midi) daar altijd mede bedekt zijn.
19 Gij weet dat dezelfde kwaal om en bij de Alpen heerscht, en aan dezelfde oorzaak, namelijk aan het bergwater, dat met kalk en aarddeelen bezwangerd is, wordt toegeschreven; niet alleen het physiek maar ook het moreel gestel van den mensch schijnt daar door te lijden; want ik vernam, dat, overeenkomstig het geen men daar van bij Ramond en anderen vindt aangeteekend, de lieden met kropgezwellen gekweld, doorgaans dom en log zijn. Gemelde schrijver spreekt ook van eenige huisgezinnen, welke men hier en daar in deze gebergtens vindt, die uit hoofde van een zeer oud vooroordeel, door de overige ingezetenen beschouwd worden, als tot een eerloos geslacht behoorende, en alzoo door hun worden geschuwd, en met verachting behandeld, hij noemt ze Cagots. De kropgezwellen zijn onder hen vrij algemeen; doch naar ik met genoegen vernam, vermindert dit vooroordeel hoe langs hoe meêr, en men vindt zelfs weinige slagtoffers van deze dwaaze onregtvaardigheid meêr.
20 Het is een der hoogste toppen van de Pyreneën.
21 Volgens Ramond zijn ’er onder die wel 100 000 cubiek voeten groot zijn; ik heb dezelve niet nagemeten, doch dit weet ik, dat verscheidene van die stukken die hier, zoo als bij ons de keijen daar men de straten mede maakt, op elkanderen liggen, wanneer zij afzonderlijk in een dal geplaatst waren, al gnappe heuvels zouden schijnen.
22 In de landtaal wordt dezelve Peyrada geheten.
23 Aldus genaamd naar den berg, daar hij afstroomt.
24 Of volgens Ramond Vallée d’Ossonë. Men vindt in zijn Voyages du Mont-perdu van die vallei melding gemaakt.
25 Du Perreux landschapschilder te Parijs, omtrent te gelijker tijd met mij de Pyreneën bezocht hebbende, heeft een fraaije schilderij van dat gezigt gemaakt, welke ook bij de laatste expositie te Parijs ten toon is gesteld geworden; van deze schilderij bekomt gij een teekening door denzelfden meester, die zeer gelijkende is. Gemelde du Perreux is reeds driemalen in de Pyreneën geweest, en bezit eene aanzienlijke verzameling van schilderstukken en gezichten door hem aldaar naar de natuur gemaald, zijn adres is rue du Montblanc, No 73. à Paris.
26 Deze fraaije boom ziet men vrij algemeen in de Meijerij van ’s Bosch, en ik heb mij altijd verwonderd, dat men ’er in de schoone beplantingen, die men in Holland zoo menigvuldig aantreft, geen meêr gebruik van maakt. In de zandgronden om Haarlem, ben ik verzekerd dat hij zeer goed zou groeijen.
27 Het worstelperk van Gavarnie.
28 De torens van Maboré, zij bebooren tot de allerhoogste bergen van de Pyreneën. De top van Gavarnie zigtbaar, is ruim 9800 voeten hoog, en de top van de Mont-perdu die de hoogste van alle is, ruim 10 500 boven de oppervlakte der zee. (Zie Ramond en Pasumot.)
29 Twee vijfde volgens Ramond. Het was een schoone straal, doch 1½ maand vroeger, wanneer de smelting der sneeuw het sterkste is, is zij veel zwaarder. De buitengewone sterke regen, dien men ook hier gehad had, maakte de toevloed van water echter thans nog aanmerkelijk.
30 Pasumot noemt ze ook le Gave Bearnois, of van het land van Bearn.
31 Die van de Niagara in Noord-Amerika is 1800 voeten, die van Lauterbronnen is wel 300 voeten lager.
32 De sneeuwtoppen schijnen door een roodachtig licht, als het schijnsel van een gloed omgeven.—Lieden in deze streken gewoon, kennen de afstanden in de bergen aan de onderscheidene kleuren, doch vreemden bedriegen zich daar omtrent geweldig, want door de ontzaggelijke grootte gelijken zij altijd digter bij te wezen, dan zij in der daad zijn.
33 Ik ben verzekerd, dat zelfs de hardvochtigste en ongevoeligste menschen hier wel zorg voor hunne paarden dragen. Antoine vertelde mij, dat hij eenige jaren geleden, met een Engelschman hier naar toe gereden was, die in de vlaktens zijn paard sloeg en mishandelde, maar hier streelde, de vliegen van hetzelve verjaagde, en ’er alle zorg voor droeg.
34 Behalve de Breche de Roland, is ’er een andere en bruikbaarder bergweg, die men le port de Gavarnie noemt. Port beteekent in ’t algemeen een doortogt, kloof of opening tusschen de bergen.
35 Ramond spreekt ’er ook van, doch zegt dat derzelver getal sedert 40 jaren, omdat ’er vele bosschen gekapt zijn, aanmerkelijk is verminderd.
36 Te Parijs terug komende, vind ik bij Pasumot echter van dit reuzengeslacht vrij omstandig melding gemaakt; de naam wordt daar zelfs bij opgegeven; en de laatste van dit geslacht moet nog maar 25 à 30 geleden, in den ouderdom van 108 à 110 jaren gestorven, en de doopceel enz. nog te Luz voorhanden zijn. ’Er schijnen ook bewijzen te zijn, dat ’er in de begraafplaatsen van die reuzen, beenderen gevonden zijn van eene ongemeene grootte, onder anderen een sleutelbeen van 10 duimen, en een tibia van bij de twee voeten.
37 Ik weet niet van ooit diergelijke zonnewijzers bij ons gezien te hebben; ondertusschen zouden zij ook van veel dienst voor onze landlieden kunnen wezen.
38 In Frankrijk is deze behandeling niet ongewoon.
39 Dit schijnt als een teeken van vlijt tot haar marktopschik te behooren, want ik zag ’er eenige, die ’er weinig gebruik van maakten.
De schets, die ik van de kleeding der bergbewoners gemaakt had, niet voldoende zijnde, om ’er een plaatje naar te graveren, heeft een Landgenoot en kunstschilder alhier (te Parijs) daar een aardige teekening naar gemaakt, waarop het vrouwtje spinnende verbeeld wordt. Gij kunt dezelve nu des goedvindende in het werk plaatsen. Deze schilder Knip genaamd, en van ’s Bosch geboortig, schildert zeer zoet landschappen in waterverf, welke wijze van schilderen de Franschen en gouache noemen. Die jongman is bijzonder achtingwaardig om zijne ouderliefde: daar hij, hoewel zeer ijverig moetende werken om den kost te verdienen, gedurig een groot gedeelte van het geen hij wint, aan zijn bijna blinden vader in ’s Bosch toezendt. Zijn zuster heeft hier ook eenigen tijd van den Heer van Spaandonck onderwijs in het bloemschilderen gehad, en is weder naar het Vaderland terug gekeerd, op hoop van daar met bloemen en vruchten schilderen, waarin zij al vrij gnap is, den kost te zullen kunnen verdienen.
40 De Izard van de Pyreneën en de Chamois van de Alpen, schijnen tot hetzelfde geslacht te behooren.
41 Dat is zeer onnoodig. Zoo scheen hij somtijds zeer onnoodig te vinden, dat wij aten, dronken of iets anders deden, dat in zich zelve zeer noodzakelijk was.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
