Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Twintigste brief
Bagnères, 16 September.
Gisteren morgen ging ik weder zeer vroegtijdig de bergen hier rondom bestijgen, en na braaf wat geklauterd hebben, in een hutje, tusschen heuvelen en boschjes aangenaam gelegen, en met wier bewoners ik reeds kennis gemaakt had, melk tot mijn ontbijt gebruiken. Wij vonden den boer digt bij zijn woning bezig op den akker; zijn vrouw was naar de markt te Bagnères, en de kinderen met een paar koeitjes en eenige geiten in de bergen. Wij traden binnen, en hier werd een groote aardewerksche kom met versche melk voorgezet. Ieder kreeg een kleiner kommetje en een hout lepeltje; de huisvader zat met ons aan, deelde melk en brood uit, en zoo deden wij een eenvoudig landelijk ontbijt. Onze gastheer was zeer spraakzaam, en ik kon hem vrij wel verstaan; doch merkte op, dat hij de B voor V en de V voor B uitsprak, zeggende bache voor vache (een koe) en voire voor boire (drinken) enz. Deze verkeerde uitspraak schijnt hier omstreeks vrij algemeen te zijn. De gemeenzame wijze, waarop hij met ons omging, beviel mij bijzonder; geen de minste verlegenheid, geen muts af, hij behandelde ons niet anders dan zijne medemenschen, en had eene soort van gulheid en rondheid in zijn wijze van doen en spreken, die mij zeer vermaakte1. Wij spraken over zijne huishouding, over den landbouw, en ik raadde hem, om niet alleen maïs en rog, maar ook boekweit te zaaijen; en daar de grond het minst steenachtig is, aardappelen te zetten, omdat veeltijds door het weder of andere toevallen, het eene wel uitvalt, terwijl het andere mislukt. Hij nam dezen raad in dank aan, en scheen voornemens, om dien te volgen.
Aan den anderen kant of oostzijde van Bagnères, als men de Adour over een steenen brug overgegaan is, heeft men op de hoogte ook aangename wandelingen en gezigten; een aantal castanjeboomen op en tegen een heuvel gelegen, maken daar een lommerrijk boschje; aan de voet van den heuvel is een tuin, waarin een menigte appelen en perenboomen, die zoo vol vruchten hingen, dat ik het weinig zoo gezien heb; wij vroegen aan een oud moedertje verlof, om ’er in te wandelen, het geen ons niet alleen toegestaan werd; maar wij moesten van de vruchten eten, en bovendien, wat wij hier ook tegen inbragten, onze zakken zoo vol laden, als wij maar konden. Ik zeide, dat deze vruchten te Bagnères verkocht wordende, nog al wat op zouden brengen, en het goede vrouwtje antwoordde, dat zij het door Gods goedheid niet noodig had, daar bijvoegende: le bon Dieu me les donne pour rien, et ce que j’en ai de trop, je le donne pour rien aussi.2
Het dal van l’Hiéris of Lhéris, een uurtje van hier, is vooral in het begin van den zomer, wanneer het een menigte bloemen en welriekende kruiden oplevert, een bekoorlijken lusthof. Hier en daar onderweg vonden wij lieden bezig om met lijmtakjes klein gevogelte te vangen. Men vangt hier omstreeks ook Ortolanen, en zij moeten nog al niet zeer duur zijn, want wij hebben ze in onze herberg al een en andermaal gegeten. Ook hadden wij dagelijks kleine forellen op tafel; ik zag ze dikwijls in de Adour onder en tusschen de steenen met de hand vangen. De beekjes hier omstreeks leveren ook een menigte kreeftjes op.
In het stadje terug komende, zag ik ’er verscheiden lieden buitengemeen opgeschikt: zij kwamen van een bedevaart terug; de mans onder anderen hadden breede linten om den bol van den hoed, waarop met vergulde letters stond: notre Dame de Mont Sernatte3. Verscheiden dingen van wasch gemaakt, allerlei kleuren, en eenigzins de gedaante van een lepel hebbende, staken ’er tusschen. Naar ik vernam waren zij geheiligd, en dienden als een behoedmiddel tegen de hagelvlagen, enz.
Hier wordt ook een soort van grof laken gemaakt, dat veelal de natuurlijke bruinachtige kleur van de wol behoud. De bergbewoners bedienen ’er zich veel van. Men maakt hier ook een menigte stokken met ijzeren punten voorzien, om bij het beklimmen der bergen te gebruiken; velen zijn van een soort van dolk, die men ’er uit doet springen, voorzien.
Dat de wateren van Bagnères reeds bij de Romeinen bekend waren, blijkt uit eenige Latijnsche opschriften, waar van ’er nog bestaan, en sommige gedenkpenningen, die ’er gevonden zijn, onder anderen op de fontein, niet ver van de markt staande, leest men op eenen grooten zwart marmeren steen: Numini Augusti sacrum secundus sembedonis-fil-nomine Vicanorum aquensium et suo posuit. Deze steen zou een altaar geweest zijn, dat alhier in een tempel van Diana gediend had, en welke tempel gestaan zou hebben ter plaatse, waar thans de St. Martens Kerk is. Bagnères werd dan van ouds Vicus Aquensis genaamd, en zou volgens sommige reeds voor het jaar 695, van de grondvesting van Rome, bestaan hebben.
Heden vernam ik met smart, dat het openbare dobbelspel door gansch Frankrijk voor eenige millioenen aan een befaamden speler verpacht was. Tot hier toe had de politie voor het verleenen van verlof, daar van eene zekere som getrokken, nu kwam dat voordeel in de kas van het Gouvernement.
Behalve de openbare wandeling, waarvan ik u reeds gesproken heb, en die vooral des avonds in de koelte vrij drok bezocht wordt, is hier nog een andere met lindeboomen beplante en zeer lommerrijke wandelplaats, ook in het stadje, omtrent achter de Kerk gelegen; doch deze wordt weinig bezocht. In de Koffijhuizen vond ik doorgaans niet veel volk, behalve in een, wanneer ’er s’ avonds lotto gespeeld werd. De waard of waardin trok de nommers, en rondom zaten verscheidene volwassen, en zelfs bejaarde menschen, zich gedurende eenige uren bezig houdende met op hunne nommerkaarten te kijken; het geen mij nog te meêr verwonderde, omdat men ’er om zeer weinig geld speelt. Ik hield mij hier niet lang op, maar ging, daar de maan helder scheen, naar buiten tusschen de bergen wandelen.
Antoine kwam ons heden morgen, omstreeks zes uren, afhalen, om ons naar een plaats omtrent een uurtje ver, waar men op eene zonderlinge wijze woudduiven ving, te geleiden. Deze plaats is aan den overkant van de Adour op een hoogte. Die wandeling is zeer aangenaam.—De lucht was een weinig bewolkt, zoo dat de top van de Pic du Midi bedekt was; doch in het verrukkelijke dal van Campan was het helder. Aan de plaats gekomen zijnde, waar de ongelukkige duiven moesten verschalkt worden, zagen wij daar een rij zeer zware eiken- en beukenboomen, op eenen genoegzamen afstand geplaatst, om ’er netten tusschen te kunnen hangen; een eind weegs verder op de vlakte, stonden langs dezelven, op zekeren afstand, drie bij elkanderen gevoegde staken, naar het mij voorkwam 80 à 100 voeten hoog. Van onderen stonden zij wijd van een, om daar door stevigheid te hebben, en kruisten boven aan, zoo dat zij daar door de drie punten een soort van mik maakten, hier waren rondom eenige latten tegen geslagen, en ’er was een bankje in gemaakt, moetende dienen, tot een zitplaats voor een man. Tegen een van de staken had men klampen of sporten gemaakt, om naar boven te klimmen. Wij waren ’er niet lang, of de vogelaars kwamen met hunne netten, en hingen dezelve tusschen de boomen op; het is eene soort als die, welke bij ons onder den naam van flouwen bekend zijn. Eenige lieden klommen ieder in een mik, en de anderen stelden zich beneden op hunne posten. De woudduiven, met scholen van het oosten naar het westen trekkende, kijken de lieden die boven zijn uit, of zij ’er zien aankomen, en zoodra zij tusschen hen en de netten in zijn, smijten zij ze een soort van houten kruis, dat een roofvogel moet verbeelden na, en maken daar bij een sterk geschreeuw. De duiven hier door verschrikt, en willende den gewaanden roofvogel ontduiken, dalen eensklaps in haar vlucht, en vliegen verbijsterd in de netten, die de anderen, die ’er bij zitten, op haar laten vallen; diergelijke netten hingen ’er omtrent 10 à 12; en ’er stonden drie mikken waarin menschen zaten. Naar men mij verhaalde, vangt men hier somtijds tot 200 duiven daags. Heden echter was de vangst in ’t geheel niet voordeelig, doch het was ook nog wat vroeg in den tijd. Men begint ’er omtrent half September eerst mede, en het duurt tot in het begin van November. Verder op hangt men dan ook meer netten, en ’er staan nog verscheidene mikken. Deze plaats wordt la Foret de Gerde4 genaamd, en de vogelbanen noemt men pantières.
Heden avond zag ik in het Schouwburgje een goochelaar en koorddansers, die voor liefhebbers van die kunsten, nog al eenigzins der moeite waard waren, en althans vrij wat beter in hun soort, dan de zoogenaamde Tooneellisten, die ik ’er voorleden week zag.
Morgen verlaten wij dit in den zomer zoo aangenaam oord, en dat nog veel aangenamer zou zijn voor redelijke menschen, als men ’er door het dobbelspel geen bende beurzesnijders, gaauwdieven en ligtmissen naar toe lokte. Bagnères is het verblijf van een onderprefect (sousprefect), en het getal der inwoners komt nabij de 4500. De tijd, dat men deze plaats verlaat, begint te naderen, en ’er zijn sedert een paar dagen al een aantal menschen vertrokken. Die van Bagnères leven dan geheel afgezonderd, en grootendeels als de mieren van den voorraad, dien zij gedurende den zomer vergaderd hebben. De sneeuw kan hier ook zeer hoog, en eenigen tijd blijven liggen. Voorleden winter waren de hongerige wolven tot in de straten van Bagnères gekomen; het vee en zelfs de menschen loopen in zulk een tijd gevaar.—Dat men ’er dan de lieden, die hun handwerk van het dobbelspel maken, naar toezond, om op de wolvenjagt te gaan, en daar een kans te wagen.
Ik wil dezen besluiten, met een gedeelte van een aardig dichtstuk van le Mierre5, dat ik juist voor mij heb liggen. Van Bagnères sprekende, zegt hij:
La paroit le guerrier blessé dans les combats,
Par de longues douleurs rachèté du trépas:
Il trempe un bras debile en un eau secourable.
Non comme dans le styx pour être invulnérable,
Mais pour courir encore, ou le peril l’attend.
Je vois aupres de lui Life se lamentant,
Rose decolorée et qui vient languissante,
Refleurir dans le sein de cette eau bienfaisante.
Un hypocondre Anglais de son spleen consumé,
Un livide Espagnol par la bile enflammé,
Le chanoine amaigri, scandale du chapitre,
Les vaporeux titrés, les vaporeux sans titre.
Ne croiez pas pourtant que la source des bains
Ne prodigue ses flots qu’à d’infirmes humains;
Toujours le plus plaintif n’est pas le plus malade.
Il est des maux d’emprunt, des langueurs de parade,
Un peuple feminin que Sénac fatigué,
Expres pour s’en defaire, aux bains à relégué.
d’Autres vont d’habitude à cette eau salutaire,
Humecter tous les ans leur chef visionnaire.
Plus d’un oisif y vient guérir de son ennui,
Sans songer au secret d’en préserver autrui.
Toutefois au milieu de ces sots aquatiques.
Sont esprits amusans, charmantes lunatiques.
Qui malades par air, faites pour le plaisir,
Se departent souvient du projet de languir. etc.
1 Wij zagen ’er ook maar zeer eenvoudig in de kleederen uit, en ik vinde alle zwier en tooi, meestal geschikt om eenen gewaanden afstand tusschen menschen en menschen te kennen te geven, vooral bij diergelijke bezoeken in ’t geheel niet passende.
2 De goede God geeft ze mij om niet, en dat ik ’er te veel van heb, geef ik ook om niet.
3 Onder Spaansch gebied aan de grensen gelegen, en het Kevelaar van deze streek.
4 Het woud van Gerde.
5 Le Mierre is vooral ook door zijne Treurspelen bekend. Wij hebben van hem, zoo ik meen, in onze taal overgezet: Hypermnestra, Willem Tell, en de Malabaarsche Weduwe. Of zijn Barneveld, het treurig einde van onzen beroemden Staatsmartelaar ten onderwerp hebbende, ook in onze taal is overgebragt, weet ik niet. Behalve deze heeft hij nog eenige andere Treurspelen gemaakt. Hij werd te Parijs geboren, en stierf aldaar in 1793.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
