Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Een en twintigste brief

Bordeaux, 23 September.
Gisteren omtrent den middag zijn wij in deze stad, vooral door den Koophandel bij ons zoo algemeen bekend, aangekomen. Geene gelegenheid gehad hebbende, om onder weg een brief aan u aftezenden, bekomt gij hier bij het vervolg van mijn dagverhaal.
Den 17 dezer vertrokken wij ’s morgens om 7 uren van Bagnères, met den gewonen postwagen van Tarbes. Het was tijd, dat wij heen gingen, want het had den ganschen nacht aanhoudend geregend, en deed zulks nog zeer sterk, en als het hier daar mede in dit jaargetij begint, kan men rekenen, dat het aangename weder genoegzaam voorbij is.
Het was ruim tien uren, toen wij te Tarbes aankwamen, en hier moesten wij tot den volgenden morgen blijven, om met den postwagen van Bayonne naar Toulouse, tot Auch te rijden. De postmeester alhier, aan wien wij van Bagnères geschreven hadden, had voor de plaatsen (ingeval zij ’er waren) gezorgd, en zelfs ook de vriendelijkheid gehad, van naar Auch te schrijven, om ze van daar op Agen voor ons te bestellen. Deze is wel de hupschte en vriendelijkste postmeester, dien ik immer ontmoet heb1; ik had zulks reeds in het heengaan ondervonden, en werd ’er nu nog volkomener van overtuigd. Alle reizigers, die hier bekend waren, spraken met lof over hem; zijn naam is Pauillac. Ik stel denzelven hier met een dankbaar gevoel ter neder, en wenschte hem aan alle redelijke reizigers, die hier heen mogten komen, te kunnen doen opteekenen.
De aanhoudende regen maakte, dat wij hier weinig wandelen konden; gelukkig hadden wij een vrij goede herberg, dezelfde, waar wij in ’t heen gaan geweest waren.
Bij ons heeft men veel de slordige gewoonte van op de glasruiten der herbergen te schrijven, in Frankrijk ziet men dat bijna niet; doch men vindt ’er dikwijls de muren beklad; in de spijszaal alhier las ik onder anderen eenige laffe spotternijen tegen den nieuwen Keizer en Keizerin, en een Engelsch versje, dat hier toen al heel aardig te pas kwam, waarom ik het u mededeel:
“Of eartly goods the best is a good wife.
A bad the bitterest curse of human life.”2
Een vrouw, die ook tot ons reisgezelschap behoorde, en in ’t geheel geen gemakkelijk peuzeltje scheen te zijn, deze regels ziende, vroeg mij, of ik die taal verstond, en geantwoord hebbende, dat ik ’er althans genoeg van wist om haar dit getrouwelijk te kunnen overzetten, verzocht zij mij het te doen. Ik liet mij niet bidden, en het scheen, of zij zelve de toepassing maakte; want spijtig glimlagchende ging zij heen, en bemoeide zich niet meêr met het geen op den wand geschreven stond.
Hoe zeer die beekjes van helder water, welke hier aanhoudend door de straten vlieten, eene frissche doorspoeling geven, moet het toch ook in de huizen, die veelal laag zijn, vrij wat vochtigheid veroorzaken.
Den 18 dezer ’s morgens om vier uren vertrokken wij van hier. Op de hoogten, voor dat men te Meillan komt, wandelende, vermaakte ik mij nog eens met het genot van dat schoone gezigt, en zeî met een soort van aandoening, de hooge Pyreneën (les hautes Pyrenées) welk Departement men hier omstreeks verlaat, vaarwel.
Van Auch behoef ik u niets meer te zeggen, dan dat het zich van dezen kant Amphithéaters-gewijze liggende, zeer aardig vertoont. Bij Alexander den Dikken vonden wij weder een zeer goed avondmaal en goed gezelschap; onder de personen die met ons van Tarbes gekomen waren, en naar Toulouse gingen, bevonden zich twee juffrouwtjes, van Bagnères komende, die zich tot nu toe bijzonder zedig gedragen hadden, doch hier wat gemeenzamer wordende, vernamen wij, dat zij te Bordeaux t’huis hoorden, en konden haar bedrijf ligtelijk gissen. Ik geloof niet, dat ’er een volk bestaat, dat zich onder den schijn van wellevendheid, door kleeding enz. beter weet te vermommen, dan de Franschen, vooral die van Parijs en de voorname steden.
Den 19 dezer ’s morgens om 4 uren vertrokken wij met den gewonen postwagen van hier op Agen. De landstreek scheen vrij vruchtbaar, de weg was goed, en door de verscheidenheid van gezigten, buitenverblijven (Castels), groote boerenhoeven (méteries) enz. gansch niet onaangenaam. De Turksche tarw (Maioc) was nu gesneden, en men was druk bezig met ploegen.
Fleurance, een stadje, waar wij doorkwamen, ziet ’er ongemeen slordig uit. Ik liep eens heen en weder in de Kerk, die niet eens bevloerd was, wij zagen hier meer ganzen en varkens dan menschen. Wolweverij scheen een voornaam bedrijf der ingezetenen te zijn. ’Er was ook, zoo als op de meeste plaatsen in deze landstreek, eene overdekte marktplaats. Langs een bosch van hakhout en jonge heesters, en vele weilanden met vee, kwamen wij te Lectoure, 4 posten van Auch, op eene aanzienelijke hoogte, langs welker voet de weg loopt, gelegen; zoo dat dit stadje van daar geene onaardige vertooning maakt. Even buiten hetzelve hield de wagen stil, om het middagmaal te houden, het was omtrent 10 uren, en de Conducteur zeide, dat wij hier tot omtrent 1 uur blijven moesten, omdat, deze wagen niet van paarden verwisselende, dezelve wat moesten rusten. Wij klommen dan langs een’ vrij steilen weg in de stad; zij bestaat meest in een regte straat, waarin eenige gnappe huizen. In de Hoofdkerk, die aan het eind staat, en waar naast het voormalige Bisdom is, zag ik niets bijzonders, doch van het terras achter dezelve, waarop eenige boompjes staan te kwijnen, heeft men zeer een fraai en uitgebreid gezigt, tot tegen de hooge Pyreneën. Aan het andere eind van de straat staat een schoon gebouw. Het is een Gasthuis, door een achtingwaardigen Bisschop, genaamd Narbonne-Pellet, gesticht. Niet alleen kranken en afgeleefde lieden worden daar in verzorgd, maar men verschaft ’er ook werk aan behoeftigen, die nog in staat zijn, om te arbeiden. Een ruime plaats, met boomen beplant, en een fraai ijzerhek ’er voor, geeft een vrolijk aanzien aan dit weldadig gesticht, dat nog niet oud schijnt te zijn. Het is gebouwd op de puinhoopen van het in de oude geschiedenissen zeer bekende Kasteel. Men moet van daar ook een verrukkelijk gezigt hebben. Het stadje zelve ziet ’er doodsch en naar uit. De verteringen van den Bisschop en zijn Kapittel, gaven ’er voorheen nog al eenig vertier, dat nu ook ophoudt. Voorheen was Lectoure zeer sterk, en met een dubbelen rij muren omgeven, waarvan men nog eenige vervallen overblijfsels ziet. Het getal der ingezetenen wordt op ruim 5500 geschat, en ’er is eene Onderprefecture. Eenige opschriften van den tijd der Romeinen, welke hier nog bestaan, bewijzen de oudheid van deze stad. In het dal, onder dezelve, stroomt het riviertje le Gers, en brengt zeer veel toe tot de vruchtbaarheid van hetzelve. Om de stad zijn eenige leêrlooierijen. Men zeide mij, dat dit hier een voornaam bedrijf was.
In onze herberg terug komende, vond ik in de kamer, die men ons had aangewezen, eene bejaarde Dame, met welke wij van Auch gekomen waren, de houding van eene slapende Venus willende nabootsen, uitgestrekt op een bed; kwanswijs wakker wordende, toen ik in kwam, bleef zij echter liggen.... Deze oude coquette was over Noord-Amerika uit St. Domingo gekomen, en ging naar Parijs, waar zij t’huis hoorde, en waar zij onder die soort van vrouwen, welke men ’er in zulk een groote menigte vindt, zekerlijk eene eerste plaats verdient. Een kwinkslag, dien men aan Cicero toekent, toen hij van eene vrouw van 50 jaren, die voorgaf maar 20 te zijn, sprekende, zeide: “men moet haar wel gelooven, terwijl zij het reeds sedert 30 jaren zegt.” Dezen kwinkslag, zeg ik, kon men hier ook zeer gevoegelijk te pas brengen. Hoe belagchelijk het gedrag van zulke vrouwen ook zijn moge, heeft hetzelve nogthans in het oog van den naauwkeurigen opmerker niets verwonderlijks. Trek om te behagen is bijna de eenigste bedoeling, en de drijfveer van genoegzaam alle de werkzaamheden, bij de zoogenaamde vrouwen du bon ton: van hare kindschheid af, houden zij zich daar mede bijna alleen bezig. Zelfs door het huwelijk wordt deze bezigheid in plaats van zich te bepalen, veel sterker. Eene Parijsche, of naar de Parijsche mode levende vrouw, is dan meêr vrij en ongedwongen. Voor het huishouden (ik spreek hier nog maar van zoogenaamde voorname en zelfs mindere burgerlieden) heeft zij hare bonne3, en de kinderen worden, zoo dra zij ter wereld komen, op het land te minne gezonden. Zelfs zij, die een winkel hebben, ziet men daar in gekapt, geblanket, en opgeschikt zitten. Wat zullen nu deze menschen doen als zij oud worden; zij hebben die plooi aangenomen, genoegzaam niets anders geleerd, en zijn onbekend met wezenlijker, en hare jaren meêr voegende genietingen. Deze verkeerde handelwijze komt dan ook bij allen niet voort uit eene onkuische drift, maar is bij velen het gevolg van een dwaze hebbelijkheid4.
Onze overige reisgenooten moet ik u toch ook leeren kennen; behalve de genoemde Dame, waren ’er op den wagen, een gekwetst officier van St. Domingo met zijn knecht en papegaai; een voormalige Chevalier de St. Louis, en een Gasconjer, die als jager onder het Fransche leger in Egypte gediend had, en die zeer Republikeinschgezind scheen; en onder anderen zeide: “Hoewel de Republiek niet meêr bestaat, ’er bestaan toch nog Republikeinen.” De anderen waren het altijd niet met hem eens; en dit een en ander leverde voor mij een niet onvermakelijk gesprek op.
Het middagmaal was naauwelijks redelijk, de Gasconjer bezorgde ’er ons de koffij nog bij, om het wat te vergoeden. De soepen, die men in deze landstreek eet, zijn doorgaans zoo dik door het brood, dat men ze bijna met een vork eten kan. Van knoflook houdt men veel. Spottender wijze wordt die dan ook wel Truffes de la Gascogne genoemd.
Daar ’er veel te klimmen was, verkozen wij een eind weegs te voet te gaan. De landstreek is aangenaam, en schijnt zeer vruchtbaar. Overal hier omstreeks ziet men veel tam gevogelte, zoo als ganzen, kalkoenen, hoenderen enz. Door de menigte weilanden is ’er het rundvee ook overvloedig. Men teelt ’er zeer veel hennip. Wij ontmoetten een aantal menschen, die van de kermis van Agen kwamen. Het steedje Astaffort5, dat ’er nog al gnap uitziet, en aangenaam gelegen is, door zijnde, komt men over een steenen brug over het riviertje le Gers, en omtrent een paar uren verder wordt men de Garonne overgezet met den postwagen: het geen zeer onhandig in zijn werk gaat. De wagen moest uitgespannen, en door menschen in de schuit gewerkt worden, en hoewel ’er de rivier omtrent half zoo breed was, naar het mij toescheen, als de Maas voor Rotterdam, was men met dat overzetten bijna een uur bezig. Mij verveelde het niet, want wij hadden ons met een klein schuitje laten overroeijen, en zaten aan den anderen kant te wachten; het was daar zeer drok door de menigte karren, menschen te voet en te paard, vee, enz. die van de kermis of jaarmarkt van Agen kwamen. Altijd door een aangename landstreek rijdende, kwamen wij ruim 7 uren des avonds in die stad, liggende nog omtrent 1½ uur van het opgemelde veer, aan. Agen is van Lectoure 4½, en dus van Auch 8½ post.
Gelukkig hadden wij adres aan een herberg; anders zouden wij geene bedden, door de kermis drokte, hebben kunnen krijgen; nu bezorgde de hospes ons die in een burgerhuis, waar wij zeer zindelijk en wel waren. Om goede herbergen te hebben, en niet duur te zijn, moet men trachten, om aanbevelingen te hebben van reizende Kooplieden, die van tijd tot tijd zulk een togt doende, hunne vaste herbergen houden. Men wordt dan ook voor een reizend Koopman (Voyageur de Commerce) aangezien, als een vaste klant behandeld, en alzoo minder gekneveld. Althans heb ik mij daar dikwijls wel bij bevonden. Wij aten ’s avonds in een ruime en gnappe zaal, aan eene tafel, die rondom in dezelve stond, en waar aan wel 50 menschen zaten, en deden een goeden maaltijd. Hoewel het kermis was, had men hier weinig openbare vermaken, ’er was geen schouwspel, geen danspartijen, noch diergelijke; en de handel scheen meêr het oogmerk van deze jaarmarkt te zijn, dan het vermaak. Agen is de hoofdstad van het Departement du Lot et Garonne, en bevat een groote 10,000 inwoners. Voorheen was het de hoofdplaats van het landschap Agénois. Van de overblijfsels, die hare oudheid plagten aan te toonen, is thans weinig of niets meêr overig. Aan de Garonne gelegen, drijft zij veel handel in de voortbrengsels van deze landstreek, vooral ook in wijnen en brandewijn, die het omliggende land veel oplevert; de wijnen zijn veelal zwaar, en worden grootendeels naar Bordeaux gezonden; alwaar zij zuiver of gemengd, voor ons, of voor Engeland, worden ingescheept. De hennip is ook een aanzienlijke tak van handel. Men heeft hier ook eenige Fabrieken van sergies, die men Serges d’Agen noemt, van zeildoek en van eene soort van linnen, dat ook van hennip gemaakt, en veel naar Spanje verzonden wordt.
De moord en vervolging der Protestanten is hier ook allerverschrikkelijkst geweest. De beroemde Josephus Julius Scaliger, die hier in 1540 geboren werd, en in 1609 te Leijden, waar hij gedurende 16 jaren Hoogleeraar was, stierf, heeft deze bloedige gebeurtenis omstandig aangeteekend.
Den 20 dezer vroeg opstaande, begon ik met de schoone gemeene wandeling of Cours, die digt bij ons verblijf was, te bezigtigen. Het is de schoonste, die ik tot hier toe in Frankrijk gezien heb, om de lommerrijke beplanting met verscheidene rijen boomen, breede lanen, en bijzonder de aangename ligging aan de Garonne, waar over men een bekoorlijk gezigt heeft. In de stad zag ik niets bijzonders. ’Er is een groote overdekte halle, en rondom waren verscheidene winkels en kramen; op het ruim van de markt, werden ook velerlei soort van goederen verkocht; doch eigenlijk scheen het niet meêr dan het geen men bij ons een groote boeren kermis noemt.
Onze reisgezellen, de verminkte offiçier en de oude ridder, die verpligt waren geweest, om den nacht op stoelen door te brengen, hadden intusschen vernomen, dat ’er een schuit gereed lag, om de rivier af te varen tot Bordeaux, en sloegen ons voor, om, van die gelegenheid gebruik te maken. Wij besloten hier toe geredelijk, daar hier toch niet veel meêr te zien scheen, en na raad gehouden te hebben, ging men om voorraad van spijs en drank uit, en stapte omtrent den middag aan boord.
Onze herberg aanbeveling verdienende, geef ik u het adres op, men kan niet weten waar zulks te pas kan komen; het is A l’Hotèl des Ambassadeurs, sur les allées du Gravier, chez Taverne. De vader van die Taverne is ook als een groot man, in zijn vak beroemd; hij was de uitvinder van een beroemd soort van pasteijen, die men Terrines de Nerac6 noemt, en die hij zelf nog, tot Parijs en verder verzendt.
Onze eerste schuit met banken en een tent ’er over, zou geschikt genoeg geweest zijn; doch wij werden met dezelve aan een andere, en grootere, en vol vaten en andere koopmanschappen geladen, die een half uur verder lag, gebragt; en hier schenen wij juist niet zeer op ons gemak te zullen zijn, doch toen ieder zich zoo goed mogelijk een zit- of legplaats onder het uitgespreide zeil of tent, gemaakt had, schikte zich dat nog al redelijk. Nu men betaalde ook met de bagage ’er onder begrepen, maar £ 6–:–: de persoon tot Bordeaux. Wij waren, behalve den schipper en zijn knechts, met 8 à 9 personen. Op een soort van dijk, aan den oever, zag ik verscheiden menschen, door een’ trommelslager en fluiter voorafgegaan: het was eene bruid en bruidegom, die naar ’s Lands gebruik op deze wijze, door hunne dorpgenooten en vrienden werden begeleid. De vrouwen van deze streek, en bijzonder van Agen, zijn wegens hare schoonheid en bevalligheid beroemd; sommige Schrijvers en Dichters maken daar melding van. Ik heb dan ook nog al met aandacht rond gekeken, doch ’er geene bijzondere schoonheden gevonden; hoewel ik moet bekennen, dat ’er de menschen hier in ’t algemeen veel beter uitzien dan in de hooge Pyreneën.
Onze schuit was meest geladen met brandewijn en gedroogde pruimen. De pruimen van Agen hebben een zekeren roem, en worden ook veel naar ons Vaderland verzonden.
De boorden van de Garonne leveren hier en daar vrij aangename gezigten op. Wij voeren de plaatsjes Port St, Marie en Aiguillon, beide aan den regter oever gelegen, voorbij. Het laatstgenoemde steedje, dat ook handel drijft in hennip, koorn, wijn en brandewijn, had voorheen een sterk kasteel, in de geschiedenissen bekend. Men wil, dat de eerste maal dat men zich van geschut (canon) bedient heeft, is geweest in de belegering van Aiguillon, welke belegering plaats had in de 14e eeuw. De belegerden hielden het 14 maanden uit, tegen Jan, Hertog van Normandiën, daar na Koning van Frankrijk. Bij dit steedje, voorheen een Hertogdom, loopt de rivier de Lot in de Garonne.
Wij ontmoetten een menigte schuiten, die door menschen, in het lijntje loopende, tegen den stroom werden opgetrokken. Die lieden maakten een aanhoudend geschreeuw. Onze schipper zeide, dat dit ter aanmoediging diende; men zou zeggen, dat het veel eer vermoeijende moest zijn. Onze schuit was zoo zwaar geladen, dat wij naauwelijks 1½ voet boord hadden; en daar de rivier, hier en daar vrij ondiep is, sleepten wij somtijds over den grond, het geen men door het geraas en gestoot gewaar werd. Deze schuiten moeten van onderen wel voorzien zijn, om daar tegen te kunnen. Tegen den avond vloog ’er zoo veel haft, dat het scheen als of ’er een nevel over het water hing. Zij kwamen in menigte op onze hoeden, kleederen enz. De maan scheen helder, het was stil, en alzoo daar wij met den stroom afzakten, op het water alleraangenaamst. Op een zandplaat, daar wij voorbij kwamen, waren zeer veel watersneppen.
Omstreeks half negen kwamen wij te Tonneins, een stadje mede aan den regter oever gelegen, waar wij zouden vernachten. Men begroot de aftand tusschen deze plaats en Agen, op omtrent 5 uren. Terwijl men het avondmaal gereed maakte, liepen wij in de maneschijn het steedje eens door. Het schijnt in de lengte vrij uitgestrekt; iets der moeite waardig om op te teekenen, zag ik ’er niet. In den omtrek van Tonneins wordt veel tabak geteeld, die men in de stad bereidt.
Het avondmaal was nog al wel, doch een van onze reisgenooten werd door de weegluizen ten bedde uitgejaagd. Naar men mij verhaalde, is men ’er hier in de huizen, waar veel tabak behandeld of geborgen wordt, genoegzaam niet mede gekweld7.
Den 21 dezer vertrokken wij ’s morgens om 3 uren van hier, latende ’er onzen onvriendelijken schipper. Na een paar kleine plaatsjes voorbij gevaren te hebben, kwamen wij omstreeks zeven uren te Marmande, een stadje van omtrent 5800 inwoners, aan den regter oever gelegen; het is nog al handeldrijvende. Eenigen van ons stapten hier aan wal, om levensmiddelen te koopen. Verder op voeren wij door een enge vaart, veroorzaakt door een eiland in de rivier gelegen, en aangenaam met wilgen beplant. Eer men aan la Réole komt, begint het Departement de la Gironde. Dit laatstgenoemde stadje is aan den regter oever, gelegen, en doet zich aangenaam op. In de religie-oorlogen versterkten de Protestanten zich in deze plaats. Aan den kant van de rivier ziet men een groot aanzienlijk gebouw, voor de omwenteling een Benedictijner Abdij, thans het verblijf van de Sousprefecture, Op een’ kleinen afstand, ter zijde van hetzelve, staan twee oude torens; men wist ’er mij den oorsprong niet van te zeggen. Even onder la Réole, wordt de Garonne sterker, door twee kleine riviertjes, die ’er in uitloopen. Te St. Macaire, een steedje, dat insgelijks aan den regter oever een paar uren verder gelegen is, ziet men ook een Karmeliten Klooster; en niet ver van daar de overblijfsels van een oud kasteel. Een weinig verder aan de linker oever ligt het steedje Langon, wiens witte wijn eenigen roem heeft. Hier begint de eb en vloed, en daar wij het vallend water moesten afwachten, gingen wij intusschen aan wal, om het avondmaal te nemen. Het was omtrent half zes uren; wij liepen dan, terwijl het dag was het plaatsje nog eens rond, doch zagen ’er niets bijzonders. Op het uithangbord van onze herberg stond à l’Empereur de France. Een van onze reisgenooten vroeg aan de waardin, of zij ook bijzondere reden had, om dit op haar uithangbord te zetten, voegende daar bij, dat terwijl de staatkundige denkwijzen in Frankrijk nog zeer verschillende waren, zulk een opschrift somtijds nadeelig kon zijn aan de nering. De vrouw, waarschijnlijk de gegrondheid van deze aanmerking voelende, wist hier niet veel tegen intebrengen. Wij hadden ’er een goed avondmaal, waar onder zeer smakelijke riviervisch. Na ons van eenige bossen stroo voorzien te hebben, gingen wij ten 9 uren ’s avonds weder scheep. Wij waren nu omtrent nog 8 uren van Bordeaux. Voorbij het stadje Cadillac, en nog eenige kleine plaatsjes varende, terwijl wij van tijd tot tijd mooije maneschijngezigtjes hadden, bevonden wij ons ’s morgens, den 22 dezer, toen ik wakker werd, voor een plaatsje genaamd Begle. Hier moesten wij het vallend water weder afwachten, en stapten intusschen aan wal, daar wij ons wat te ontbijten lieten geven. Ik proefde daar ook nieuwen wijn, doch het scheelt veel, dat zij den zoeten en aangenamen smaak heeft als bij ons de most. De Franschen behandelen hun’ wijn op eene geheel andere wijze, en laten dien, naar men mij verhaalde, zoo dra zij geperst is, gisten, zonder ’er zwavel op te doen; hier door krijgt zij dan al spoedig een rinsen smaak; en behalve de muscaat en dergelijke, errinner ik mij niet van zoete witte wijnen in Frankrijk aangetroffen te hebben. Men gaf ons, om te ontbijten, onder anderen, gestoofden karper, op eene wijze die men in Frankrijk à la Matelotte noemt, gereed gemaakt. Onze landslieden aan een boterham en een kopje thee of koffij gewoon, zou dit vreemd voorkomen; doch reizende gewendt men aan zoo vele vreemdigheden, en ik at met veel smaak van dit geregt. Dit plaatsje is aangenaam aan den linker oever van de Garonne, die hier al een gnappe rivier is, gelegen. Na wat heen en weder gewandeld te hebben, staken wij om 9½ uren af, en hadden nu hoop, om tegen den middag te Bordeaux te zijn. Niet ver van hier voeren wij al voorbij een zeescheepje, zijnde een kotter, die daar op stroom lag. De rivier levert hier een schoon gezigt op, en door de beweging der vaartuigen op dezelve, en door de fraaije buitenplaatsen en lusthuizen, die men aan de oevers van dezelve ziet. Na omtrent een paar uurtjes gevaren te hebben, kregen wij Bordeaux in het gezigt. De ligging van die stad, van hier te zien, is zeer schoon en schilderachtig. Hare kaai en schoone gebouwen vertoonen zich als een halve cirkel; voor dezelve ligt de rivier zoo vol schepen, dat men hier en daar naauwelijks door de masten en touwen heen zien kan. Aan de oevers ziet men scheepstimmerwerven, waar verscheidene schepen op stapel stonden. Buitenplaatsen en tuinen, alles kondigt eene welvarende handelstad aan. Deze schilderij is vooral treffende voor een’ Hollander;—men verbeeldt zich Amsterdam, Rotterdam, of Dordt te naderen.—ô mijn Vaderland! wanneer zal die bloeijende staat, waarin ik u in mijne vroege jeugd gekend heb, eens wederkomen?—Of zijt gij voor mij, zoo wel als die jaren, voor altijd verloren.—Is die aloude deugd, die edele; standvastige en stoutmoedige aard, gepaard met kloek beleid en weêrgaloze Vaderlandsliefde, waar door wij schier wonderen verrigt hebben, dan ten eenenmaal van onder ons geweken?—Is het vuur der vrijheid en onafhankelijkheid dan ganschelijk uitgedoofd—Helaas!...
Het was omtrent half een na den middag, toen wij alhier aan wal stapten, na over verscheidene schuiten heen geklommen te zijn, want met de onze konden wij niet tot aan de kaai komen. De wind heden tegen hebbende, zoo dat men gedurig moest roeijen, had dit de reis op het laatst wat vertraagd.
Hoewel de boorden van de Garonne over het algemeen die aangename verscheidenheid van schilderachtige gezigten niet opleveren, dan die van de Saone en de Rhone, had ik echter deze reis ook met genoegen gedaan, en voor zoo veel ik heb kunnen nagaan, moet zij over land niet aangenamer zijn; doch men zou een geschikter en gemakkelijker vaartuig kunnen hebben.
De plaats, waar wij aankwamen, was bijna voor het Tolhuis, (Hotèl de la Douane) dat een schoon gebouw is. Onze koffers werden door een’ Tolbediende bekeken; hij vroeg, waar wij van daan kwamen, doch doorzocht niets. Een drager (met welke lieden ik altijd te voren beding maak) nam dan het mijne, 130 lb wegende op zijn rug, en droeg het naar het Hotèl des sept freres Maçons, rue de l’Intendance, waar ik mijn intrek nam, en bedong eene vrij goede kamer op de tweede verdieping, met twee bedden voor £ 3–:–: daags. Het middagmaal aan de gemeene tafel, kostte hier £ 3–10–: voor ieder persoon.
Volgens gewoonte de stad eens doorgeloopen hebbende, ging ik ’s avonds in een kleinen Schouwburg, nog maar onlangs in een zeer zoeten smaak gebouwd, ter zijde van de gemeene wandeling, die men les Allées de Tourny noemt. Men speelt ’er kleine stukjes Comedies Vaudevilles8 genaamd. De dekoratien waren zeer lief, en de vertooners, meestal jongelieden, speelden vrij wel; vooral eene Majeur, die de grappige (comique) rollen speelde. Onder de vrouwen waren ’er ook eenige, die ’er niet onaardig uitzagen; en men betaalt hier in het parterre niet meêr dan 10 sols. Dit Schouwburgje wordt le Théatre de la Gaité genaamd. Digt bij dit Théater, over de laan van Tourny, is een zeer fraai koffijhuis met eene colonnade, doch men deed ’er voor het ijs (les glaces) 18 sols betalen.
1 In het algemeen echter heeft men daar over in Frankrijk geen klagen, en in de Provinciën nog minder dan te Parijs. Vele onzer Kommissarissen van postwagens en schuiten, of schepen, mogten daar dan wel een lesje komen nemen. Deze zijn de lompste en onbeschoftste Nederlanders, dikwerf gebenificeerde Duitschers. Ongelukkig zoo een vreemdeling, naar dat uitschot van volk, de Natie taxeert.
Van het aardsche goed is het beste een goede huisvrouw.
Eene slechte, het bitterste kruis van het menschelijke leven.
3 Bejaarde vrouw, die het huishouden waarneemt, op de kinderen past, enz.
4 Zie hier ten dezen opzigte een oud Fransch versje, dat nog al aardig is.
Cidalisse achéte
Les dents, les cheveux,
Et si la coquette
N’a pas de beaux yeux,
La taille mignone
Et d’autres appas;
Faut-il qi’on s’étonne?
C’est qu’on n’en vend pas.
5 Omtrent Astaffort is de scheiding van het Departement van de Gers en dat van de Lot en Garonne.
6 Nerac is een stadje, aan het riviertje la Baise, omtrent 4 uren van Agen gelegen.
7 Door gansch Frankrijk, en vooral in het zuidelijk gedeelte, zeer met dat ongedierte gekweld zijnde, beproeft men allerlei middelen, om dezelven te verdrijven, doch doorgaans vindt men ’er weinig baat bij; als het beste heeft men mij opgegeven, een afkooksel van knoflook en spaansche peper in sterken azijn, waarin men vervolgens campher doet ontbinden, hier bestrijkt men het huisraad enz. mede, en men mengt het onder de pap, waarmede men het papieren behangsel in de vertrekken plakt. De reuk van appelen schijnen zij ook te ontvlieden; doch in den zomer, wanneer men ’er het meeste mede geplaagd is, zijn de appelen niet overvloedig.
8 Vaudevilles zijn liedjes in eenen geestigen en stekelachtigen trant, en op bekende zangwijzen. De Franschen maken daar veel werk van, en dit soort van gezangen, waarmede men dan kleine tooneelstukjes doormengt, of aan het eind van sommige groote plaatst, hoort zoo te zeggen alleen in Frankrijk t’huis. Eene Basselin Foulon is er, zegt men, de uitvinder van, en behoorde te Vire, een stadje in Normandien t’huis. Deze liedjes werden daar gezongen, en men danste op de wijs, ter plaatse Val-es-Vire genaamd. Bij verbastering zou men hier van vervolgens Vaudeville gemaakt hebben.
Van het aardsche goed is het beste een goede huisvrouw.
Eene slechte, het bitterste kruis van het menschelijke leven.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
