Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Twee en twintigste brief
Bordeaux 25 September.
’s Morgens van den 23 dezer wandelde ik langs de kaai van den eenen kant tot den anderen, dat een frissche kuijer is1. Men ziet daar een menigte gnappe gebouwen; maar het geen mij inzonderheid vreemd voorkwam, waren de menigte Hollandsche opschriften op uithangborden enz. als: Allerhande soorten van Scheepsbehoeftens; N. N. Schoenmaker maakt en verkoopt, enz. Verwer en Glazemaker en dergelijke. Voorheen zag men hier dan ook een groote menigte van onze Vaderlandsche varensgasten; thans zijn het meestal Amerikanen, Deenen, Zweden, en Pruisschen. De schepen die ’er in menigte op stroom lagen, voerden ook die vlaggen, en waren daar mede, wijl het Zondag was, bijzonder opgesierd. De kaai maakt, zoo als ik u reeds gezegd heb, genoegzaam een halven cirkel, te weten van het eene eind tot het andere, zoo ver ’er huizen staan, en de vesting le Chateau Trompette genaamd, ligt omtrent in het midden van dezelve. Hier omstreeks stond een tempel door de Romeinen gebouwd, en aan de beschermgoden gewijd; dit gebouw moet eenige overeenkomst gehad hebben met den tempel van Cajus Cæsar te Nismes, waar van ik, daar zijnde, melding maakte. Ten tijde van Lodewijk den XIV. bestond ’er nog een groot deel van dezen tempel, omringd van 18 kolommen, welke van de 30, zoo men meent, staande waren gebleven; en deze geweldenaar, waarschijnlijk ter bereiking van zijne krijgs- en eerzuchtige oogmerken, deed deze merkwaardige gedenkteekens der oudheid sloopen, om de voornoemde vesting te vergrooten, het geen volgens het bestek van den vermaarden vesting-bouwkundigen de Vauban werd uitgevoerd.
Van hier gingen wij naar de voorstad le Chartron genaamd, waar vele voorname kooplieden in fraaije gebouwen wonen, en vervolgens in de Protestantsche Kerk, staande aldaar in een straat genaamd rue notre Dame au Chartron. Men gaat ’er door een gangetje in, want de Protestanten hadden deze Kerk reeds voor de omwenteling; op zich zelve is het een eenvoudig maar net gebouw, ’er zijn galerijen en een orgel in, en de gemeente was vrij talrijk; ik begrootte ze op 4 à 500 menschen; de Predikant deed een eenvoudig zedelijk vertoog; doch had vrij sterk de Gasconsche uitspraak (l’accent Gasçon). Op deze Kerk zag ik ook een torentje met een klok, welk een en ander ’er zekerlijk na de omwenteling eerst opgekomen is. De gemeene wandeling, le Jardin Public, voorheen Jardin Royal, ook le Champ de Mars genaamd, is niet ver van hier. Deze wandelplaats, met regte lanen beplant, waar van de boomen over het algemeen gansch niet weelderig staan, en daar bij hier en daar nog geschoren zijn, is vrij ruim, met muren en ijzer hekwerk omringd; beelden heb ik ’er niet ingezien, en eenige overdekte steenen galerijen aan de zijde zijn het eenigste sieraad; althans deze zoogenaamde tuin beantwoordde in ’t geheel niet aan het denkbeeld, dat ik ’er mij naar den Franschen ophef van gemaakt had, en gelijkt niet naar onzen Haarlemmer Hout, of het Haagsche Bosch2. ’Er is een laan, waarin vooral heden met de Zondag nog al verscheidene opgeschikte menschen, op en neder wandelden. Men verhuurt hier ook stoelen, en ter zijde staat eene nette houten loots, waarin men koffijhuis houdt.
Na den middag onze wandeling vervolgende, bewonderde ik vooral dat gedeelte, waar de groote Schouwburg geheel op zich zelven staat, en van waar men verder door een breede met fraaije huizen bebouwde straat, langs de beurs op de kaai komt. Men noemt deze wijk, die met de bijgelegen allées de Tourny, de schoonste is, die ik in Frankrijk gezien heb (althans naar mijn zin) le Quartier du Chapeau Rouge3. De plaats achter de beurs op de kaai, werd voorheen la place Royale4 genaamd; omdat de stad, in het midden van dezelve, omtrent de eerste helft van de vorige eeuw, ten haren koste het beeld van den Koning Lodewijk den XV. te paard zittende, en van metaal gegoten, deed oprigten. De fraaije vleugels van de beurs, aan den eenen, en van het tolhuis aan den anderen kant, maken de twee zijden van deze plaats, thans la place de la Liberté5 genaamd, uit.
Het inwendig gedeelte van de oude stad, ziet ’er gansch niet bevallig uit: de straten zijn ’er veelal naauw en krom, behalve die, welke les fosses des Salinières, de la Commune etc. genaamd wordt. Deze zijn breed en met boomen beplant. Aan het Stadhuis, dat in dezelve staat, is niets bijzonders te zien. Daar over is de halle of groote markt. De nieuw aangelegde straten, die le Cours Messidor en le Cours Thermidor genaamd worden, zijn ook fraai, regt, breed en met boomen beplant, en het plein dat men Place Nationale noemt, is ruim en rondom regelmatig gebouwd. Bordeaux bevalt mij dan wat het plaatselijke aanbelangt, meêr dan Marseille, dat de eenigste van de Fransche steden is, die ik gezien heb, is, waarbij zij kan vergeleken worden; hoewel de laatstgenoemde over het algemeen, niet minder regelmatig bebouwd is. Ik zal u een nieuw plan van deze stad trachten te doen toekomen; ’er zijn verscheidene nieuwe straten in hetzelve geteekend, die men voornemens schijnt, om te maken; als dat werk geheel voltooid is, en men in de oude stad ook wat verbeteringen heeft gemaakt, zal Bordeaux al een zeer fraaije stad zijn. Orde en netheid heerschen hier ook meêr dan in zoo vele andere plaatsen, die ik op deze reis gezien heb, en het is duidelijk te bemerken, dat deze hier zoo wel als te Marseille een gevolg zijn van den omgang met vreemdelingen door den handel, en van de bloei en welvaart, die deze aanbrengt.
’s Avonds ging ik in den sedert de omwenteling nieuw opgerigten Schouwburg, le Théatre Français genaamd, staande niet ver van de place Nationale. De bouworde beviel mij niet zeer, zijnde dit gebouw, tusschen twee straten staande, zoo dat de voorgevel op den hoek tusschen beide komt, van voren smal en van achteren breed; maar zich naar de plaats moetende schikken, heeft men dit waarschijnlijk niet wel anders kunnen maken. Van binnen is het met smaak gemaakt. De schermen (decorations) waren ook zeer voldoende. Ik zag ’er een paar kluchtjes, die men te Parijs op het Théatre de Montansier geeft, eene Armant aapte daar in den befaamden Brunet6 na. Men eindigde met een Pantomime à grand Spectacle7. De beste vertooners op dit tooneel, waren niet meêr dan middelmatig, Bijna schuins over dezen Schouwburg is een andere plaats voor het openbaar vermaak gebouwd en de Vauxhall genaamd; men geeft ’er bals, vuurwerken, enz. Door den sterken regen was ’er heden niets van belang te doen.
Den 24 dezer ging ik mijne krediet- en aanbevelingsbrieven overhandigen, en was verwonderd van deftige kooplieden in naauwe en donkere straten, waar zij woonden, te moeten opzoeken; in een derzelven la rue de la Rousselle genaamd, en daar omstreeks, rook het al zeer onaangenaam, door de menigte gedroogde labberdaan en andere visch, alsmede kaas en olij, die daar bijna huis aan huis verkocht werd, en waarmede geheele pakhuizen waren opgevuld. De uitwaseming van deze waren schijnt echter niet ongezond, maar integendeel een behoedmiddel tegen aanstekende ziektens te zijn; want men heeft meêr dan eens opgemerkt, dat ten tijde dat ’er besmettelijke krankheden in deze stad plaats hadden, deze wijk daar van bijzonder bevrijd bleef. Zoo is alles, wat wij onaangenaam vinden, niet niet schadelijk, even zoo min als alles wat aangenaam genoemd wordt, voor ons nuttig is.
Thans was het op de Fosses des Salinieres zeer drok; men hield ’er markt van oude kleederen en andere waren. Een soort van kwakzalver en kwakzalveres, die ik daar zag, waren al zeer wonderlijk toegetakeld. De vrouw in eene misselijke gegalonneerde Amazone kleeding, zat op een klein paardje, aan beide kanten van het zadel hingen omtrent een vijf en twintig gedroogde ratten, en op de kop van het paard, zat een levendige sperwer. De man, die voor het paard staande, op den trommel sloeg, zag ’er ook niet alleen wonderlijk in de kleederen uit, maar had om den bol van zijn’ hoed een’ krans van overeind staande gedroogde ratten; boven op dezelve eene gedroogde zeeschildpad, en daar op de gedroogde muil van een’ grooten visch, waarin eene opgezette aap zat; en wat denkt gij dat die lieden te koop veilden?—Middelen om ratten, muizen en wandluizen te verdrijven. Hunne vreemde opschik trok een menigte volk, en zij bragten daar door van hunne waren, die denkelijk niet veel beteekenden, nog al wat aan den man. Zoo draagt de eene mensen een’ krans van gedroogde ratten op het hoofd, en een ander weder iets anders; alles met oogmerk, om met de dwaasheid van het volk voordeel te doen. Nu zoo deze middelen tegen de ratten en weegluizen niet veel baten, misschien schaden zij ook niet; doch ik heb mij verwonderd, dat de Politie, die anders in Frankrijk over het algemeen vrij naauwkeurig en oplettend is, geen strenger maatregelen gebruikt tegen die groote menigte kwakzalvers en marktdoctoren, die zich met de geneeskunde bemoeijen, overal openlijk hunne gewaande algemeene geneesmiddelen uitventen, en hunne kunsten zelfs met gedrukte billetten bekend maken; als ook, dat men het trekken van horoskopen, waarzeggen, in de hand kijken, kaart leggen, enz. niet belet. Dit ziet men haast op alle plaatsen, en inzonderheid ook te Parijs, openlijk langs de straten; en niet alleen het zoogenaamde gemeen, maar zelfs zoogenaamde voorname of fatsoenelijke lieden, houden zich daarmede bezig, en hij, die met verscheidene Godsdienst-stellingen den spot drijft, slaat geloof aan de ellendige sprookjes van een oud wijf, of de gewaande voorspellingen van een’ Astrologist, die zich beter verstaat op het beurzensnijden, dan op de sterrekunde.—En dit heeft plaats onder deze, zich zoo bij uitnemendheid verlicht noemende, Franschen, en die het ontegenzeggelijk ook wat de kunsten en wetenschappen aangaat, al zeer ver brengen.
Wat verder stond een liedjeszanger, die ’er onder anderen een zong, dat nog al aardig was. Over de tegenwoordige kleederdragten handelende, kwam ’er in, dat, indien de broeken van de mans nog hooger werden, men daar wel dra mouwen aan zou moeten zetten, en zoo de lijfjes van de vrouwen nog korter moesten worden, zij weldra genoodzaakt zouden worden, om de rokken over de schouderen te dragen. In diergelijke aardigheden moet men bekennen, dat de Franschen andere volkeren aanmerkelijk overtreffen. Onder hunne volksliedjes zelfs van jaren herwaards, zijn al zeer aardige en vol geestige trekken; ’er zijn aanmerkelijke verzamelingen van gedrukt, en sommige dier werkjes worden, wanneer zij op verkoopingen voorkomen, duur betaald.
De St. Andréas of Hoofdkerk (Eglise de St. Andrée), is een groot Gothisch gebouw, en pronkt met twee vrij hooge spitse torens, waarin geen klokken hangen, aan den eenen kant. Aan den anderen schijnt men ’er ook twee te hebben willen maken, en op een van die begonnen torens, hangen eenige klokken; deze kan dan eenigzins als een derde toren worden aangemerkt, het geen aanleiding geeft tot eene nog al aardige woordspeling: l’Eglise de St. Andrée, zegt men, à trois clochers, et deux cens (deux sans) cloches8. Die dit pas hoort en hier onbekend is, verwondert zich niet weinig over zulk een groot aantal klokken. Ik zelve was ’er ook mede bedrogen, en meende in het eerst, dat het een klokkespel was, waarbij een meenigte kleine klokjes waren, en dan zou het eene dubbele merkwaardigheid geweest zijn, want zoo algemeen als de klokkespelen bij ons zijn, zoo zeldzaam treft men die in Frankrijk aan; en ik herinner mij niet van ’er op deze gansche reis van Parijs af9 een gehoord te hebben. Inwendig zag ik niets bijzonders in deze Kerk; men was bezig met dezelve op te maken; ’er lagen hier en daar verscheidene grooten roode marmeren kolommen, naar ik vernam, waren zij afkomstig uit een in de omstreek afgeschaft Klooster of Abdij, en moesten dienen, om deze Kerk mede te versieren.
Het voormalig Aartsbisschoppelijk Paleis staat digt bij deze Kerk, en is een groot modern gebouw, met een ruim voorhof (basse cour) en ijzer hekwerk. Mij kwam het niet zeer merkwaardig voor. Bij het afbreken van het oude paleis, dat een fraai Gothisch gebouw moet geweest zijn, heeft men veel overblijfsels van een’ ouden tempel gevonden, welke deskundigen meenen, dat aan Jupiter toegewijd was, zoo als stukken en brokken van geribde kolommen, kapiteelen volgens de Corinthische bouworde, fraai gebeeldhouwd lijstwerk, basreliefs, enz.
De Aartsbisschoppelijke tuin, die vrij groot was, plagt ook voorheen ten algemeene wandeling te verstrekken, en was zeer lommerrijk; doch dat is ook al veranderd. Thans wordt dit Paleis door den Prefect Charles de la Croix, voorheen Fransche Minister in den Haag, bewoond. En de tegenwoordige Aartsbisschop van Bordeaux heeft een andere woning.
De St. Michiels Kerk verdient, om zijn Gothische bouworde bijzonder gezien te worden. De toren staat ter zijde een eindje van de Kerk af, op dezelve plagt een zeer hooge en fraaije spits te staan, (men zegt dat zij hooger was dan die van Straatsburg) en dit ontzaggelijk gevaarte werd in 1767 door een orkaan ter nedergeploft, het geen een vreesselijken slag veroorzaakte; gelukkig echter is ’er niemand onder verongelukt. De muren van het koor zijn zeer zigtbaar binnenwaarts gebogen; men had ’er een dwarsbalk tusschen gezet, om ze te schragen, zoo dat dit gebouw al vrij bouwvallig wordt.
Aan het bezigtigen der Kerken zijnde, ging ik verder van hier een lange straat, zuid-oostwaards, door, tot aan de Kerk van het heilige kruis; tot eene Abdij van dien naam behoord hebbende. Volgens de bouworde van den voorgevel te oordeelen, schijnt zij zeer oud te zijn. De toren was ook waarschijnlijk hooger. Inwendig was het nog al netjes opgegnapt, doch merkwaardige schilderijen, beeldhouwwerk, zag ik ’er niet. Een levensgroot Christus beeld aan het kruis hangende, trok echter mijn aandacht; men had het eene soort van zijden damasten japon met groote gekleurde bloemen aangetrokken; ik had dat hier en hier omstreeks al meêr gezien, doch deze door de sterke kleuren, en in ’t licht geplaatst, viel bijzonder in het oog. Voor iemand, die daar niet aan gewoon is, maakt dit eene misselijke vertooning. Dat de Roomschgezinden een kruis, en sommige andere beelden in hunne Kerken plaatsen, kan ik als overeenkomstig met hunne leerstellingen, zeer wel toegeven. En ik heb van hunne Kerken gezien, waar de beelden zoodanig gemaakt, en op zulk eene wijze in geplaatst waren, dat zij daar door, en door de verdere wel ingerigte versierselen, wezenlijk een deftig aanzien hadden. Doch verstandige Geestelijken moesten mijns bedunkens niet dulden, dat men door het plaatsen van gedrogtelijke poppen, aanleiding gaf tot spotternij; hier onder behooren ook die gekroonde met allerlei stoffen behangen, en wonderlijk opgeschikte lieve vrouwenbeelden; immers deze beeldtenis is geheel niet overeenkomstig de geschiedenis, maar behoorde eene aanminnige en teedere moeder, in een zedig gewaad te verbeelden, en zulk een beeld natuurlijk gemaakt, best van wit marmer of hout, het marmer na bootsende, moet ieder een van welke Godsdienstige begrippen hij ook zijn moge, natuurlijker wijze met genoegen zien. Vele anderzins redelijke en achtingwaardige Roomsche Geestelijken, loopen diergelijke min of meêr aanstootelijke ongerijmdheden, minder in het oog dan ons, omdat zij ’er van hunne jeugd af aan gewoon zijn; maar ik ben verzekerd, dat, als zij ’er bedaard en onpartijdig over denken, zij zullen moeten bekennen, dat ik gelijk heb, en dat vooral onze eeuw zulke en diergelijke verbeteringen, volstrekt noodzakelijk maakt. Gij ziet, Vriend! dat ik u mijne invallen onder het schrijven of beschouwen getrouwelijk mededeel. Komt ’er zoo al eens wat in voor, dat u van geen belang is, de vrijheid om het ongelezen te laten, kan, noch wil ik u betwisten. Het geen de Kerken aanbetreft, ditmaal voor afgehandeld houdende, zal ik van het stuk van het ware kruis, (Morceaux de la vraie croix) dat in deze laatstgenoemde Kerk vertoond wordt, niet spreken.
In de voorstad St. Seurin, ziet men nog de overblijfsels van het oude Amphithéater van Bordeaux, verkeerdelijk le Palais Gallien genaamd, omdat het onder de regering van dien Keizer, zoo men meent, door Pivesuvius Tetricus, toen ter tijd Prefect van Aquitania, waar van men meent, dat Bordeaux de hoofdstad was, is opgerigt, omtrent het midden van de derde eeuw der Christelijke jaartelling. Thans kan men ’er de gedaante niet meêr van erkennen, en al wat ’er nog van bestaat, is een klein gedeelte van den muur, die het omringde, en waarin eenige boogsgewijze openingen (portiques); eenige vervallen gewelven en een poort of hoofdingang, welke laatste wel het voornaamste is van die merkwaardige oudheid; naar ik vernam, werd deze grond eenige jaren geleden verkocht, en een groot gedeelte van de overblijfsels van het Amphithéater weggebroken; deze verwoesting is echter door de regering gestuit, en het verdere afbreken verboden. Ondertusschen zijn ’er eenige huizen in en tegen gebouwd, en deze met de vervallen muren en puinhoopen misselijk door elkanderen staande, leveren niet anders dan eene onbevallige vertooning op, en ik verwonderde mij zeer, dat hier, waar men zich met het verfraaijen en verbeteren der stad veel schijnt te bemoeijen, en waar de goede smaak ook niet moet ontbreken, tot nog toe niet gezorgd is, om aan deze Romeinsche overblijfsels een bevalliger aanzien te geven; het geen niet moeijelijk zou zijn, wanneer men ’er een’ tuin van maakte, en naast deze oude muren eenige Italiaansche populieren, cypressen- en accacia-boomen plantte; niet langs de lijn of op eene stijve en regelmatige wijze, zoo als de Franschen gewoon zijn, maar als of zij door de natuur zelve daar waren gesteld.
Dit Amphithéater, dat ook wel les Arénes genaamd werd, diende hoogstwaarschijnlijk tot hetzelfde gebruik als dat van Nismes; doch het is niet als dit geheel van gehouwen steen, maar van gebakken en kleine gehouwen steenen gebouwd; deze zijn laagsgewijze regelmatig op elkanderen gesteld, en met een soort van kalk of cement bevestigd; de gebakken steenen hebben eene andere gedaante dan die welke wij gebruiken, en gelijken meêr naar onze roode vloertegels10. In eene vorige heb ik reeds van dat soort van steenen gesproken, en het schijnt, dat de inwoners van deze landstreek, te weten le haut Languedoc en Gascogne, nog deze wijze van de gebakken steenen te vormen van de Romeinen hebben behouden.
De straat van de plaats, aan het eind van de lanen van Tourny tot bij het Amphithéater, is vrij breed, en genoegzaam lijnregt, en wordt rue Fondaudege genaamd; aan het eind van dezelve is men digt bij de Jardin public.
Hoewel het middagmaal in mijne herberg wel beviel, ging ik heden voor de verandering bij eenen zoogenaamden restaurateur11, die men hier op dezelfde wijze als te Parijs vindt, eten. De vertering kwam al op hetzelfde, als aan de gemeene tafel in mijne herberg, uit.
’s Avonds ging ik in het Théatre de la Gaité, waar Majeur mij door zijn grappen nog al deed lagchen. Dat kleine Schouwburgje bevalt mij wel, vooral omdat ik hier, moede gewandeld zijnde, kan uitrusten; want men zit ’er in het parterre even eens als te Parijs. De prijs is zeer redelijk, en de vertooningen niet onaardig zijnde, trekt dit Tooneel veel volk.
Den 25 dezer. In de herberg had men mij naar mijn paspoort gevraagd, om hetzelve bij de politie te vertoonen, en het daar te laten teekenen. De bediendens uit de herbergen zijn met de bezorging daar van belast, men geeft hun die, en zij bezorgen dezelven, wanneer zij ze niet verliezen, wederom. Ik verkoos zelf mede te gaan, en zou zulks ieder reiziger aanraden; want meêr dan eens ben ik getuigen geweest van de moeite en onaangenaamheden, welke men heeft, als men zijn paspoort kwijt is. Men betaalt hier 5 sols voor het teekenen, het eerste geld, dat men ’er mij sedert Parijs voor heeft afgenomen, hoewel ik het betalen van deze kleinigheid, niet onredelijk vind, daar men toch ten dienste van de vreemdelingen eenige onkosten moet doen, maar dat men te Parijs alleen voor de handteekening van den Minister der Buitenlandsche Zaken, Talleyrand, dienende om die van de Ambassadeurs te bewaarheden, £ 10–:–: moet neêrtellen, vindt ik niet billijk, en vooral niet voor eene Carte de Sureté12 in Parijs zelve moetende dienen, omdat deze stad een groot deel van zijn bestaan aan de vreemdelingen verschuldigd is. Men zegt, dat de Ambassadeurs zich reeds meêr dan eens hier over bezwaard hebben, doch te vergeefsch. Ik hoop, dat men toch bij ons wederzijds zal handelen.
De Beurs schijnt inwendig pas nieuw opgemaakt. Het plein, waar de Kooplieden dagelijks verzamelen, is overdekt, en het licht valt ’er van boven door eene zoogenaamde lantaarn; men klaagt dan ook, dat het ’er in den zomer zeer benaauwd zijn kan. Rondom aan den muur leest men de namen van verscheidene landen, als la Chine, l’Angleterre, la Hollande, enz. De Kooplieden zich bij deze teekens plaatsende, vinden elkander daar door te gemakkelijker. Rondom de verzamelplaats voor de Kooplieden is eene gaanderij, waarin veelerlei soorten van winkels of kramen staan. Bij een prentenkoopman aldaar, zag ik eenige plaatjes zoo zonderling geplaatst, dat ik niet wel denken kan, dat zulks slechts bij geval was; boven eene afbeelding, waarop Lodewijk de XVI. en zijne nabestaanden verbeeld werden, hingen de afbeeldingen van de nieuwe Keizer en Keizerin, en daar bij een ander prentje met een treurwilg, waar onder geschreven stond: le saule pleureur.
Schouwburg van Bordeaux.
Boven deze gaanderij zijn eenige andere vertrekken, zoo als de regtbank voor den koophandel (Tribunal de Commerce) wij zagen ’er een Engelsche prijs bij openbare veiling voor eene som van 36,000 francs verkoopen; deze verkooping geschiedde bij het uitbranden van de kaars13, en werd door een trompetter aangekondigd. Achter de beurs op de kaai staan doorgaans een menigte sleden, ieder met twee ossen bespannen, waarmede hier de koopmanschappen in en uit de pakhuizen gevoerd worden. Onder deze ossen vindt men ’er, die al vrij groot zijn; genoegzaam alle zijn zij rood, en trekken met den kop, de horens dikwijls zeer lang zijnde, worden aan den kant, waar zij met de koppen tegen elkanderen zijn gespannen of gebonden, afgezaagd. Het nommer van de slede hebben zij op een blikken plaatje voor den kop.
De groote Schouwburg, zoo als ik u reeds gezegd heb, in de wijk du Chapeau Rouge, en niet ver van de beurs staande, is het meesterstuk van bouwkunde van den vermaarden bouwmeester Louïs en wordt voor een der fraaiste, grootste en prachtigste Schouwburgen van Europa gehouden. Dit gebouw bevat een Tooneel- en een Concertzaal. De voorgevel (péristile) bestaat uit twaalf Corinthische kolommen, op de lijst boven ieder derzelven staat een beeld, zoo als gij op de naauwkeurig geteekende afbeelding, die ik u zal doen toekomen, zult zien. Ter zijde zijn gaanderijen, waar onder verscheidene kooplieden en kramers hunne onderscheidene goederen in daartoe gemaakte kramen of winkels uitstallen. Dit schoone gebouw is van gehouwen steen, staat geheel op zich zelve, en maakt eene zeer fraaije vertooning. Inwendig beantwoordt het ook zeer wel aan de verwachting, die men ’er zich door het uitwendige van gemaakt heeft. Men in een ruim en prachtig voorportaal, en hier bewondert men een’ breeden en groots gebouwden trap, waarmede men naar de gaanderijen, loges enz. gaat; het licht valt hier op door een lantaarn in het dak gemaakt, en geeft aan dit alles een luisterrijk aanzien; hoewel mij dunkt, dat terwijl onze tooneelen tot nog toe, zoo wel zomers als ’s winters door kaars- of lamplicht verlicht worden, men beter zou doen, van alle de toegangen tot hetzelve insgelijks door kaarsen of lampen te verlichten, om daar door het treffend onderscheid tusschen het dag- en kaarslicht, en de onaangenaame gewaarwording daar door bij het inkomen der Schouwburgzaal veroorzaakt, zoo veel mogelijk te matigen. De plaats voor de aanschouwers geschikt, heeft de gedaante van een cirkel, van omtrent 60 voeten middellijns (diameter), omtrent het vierde deel afgesneden door het Tooneel. Zij is door 12 op zich zelve staande kolommen van gemengde order (l’ordre composite) omringd. De tweede en derde loges als balcons tusschen deze kolommen gemaakt, bevielen mij niet, omdat men uit die, welke bij het tooneel zijn, niet goed moet kunnen zien, en omdat ’er door deze inrigting veel plaats verloren gaat. Het platfond is fraai geschilderd14, ik meen door Robin. De geheele zaal is met smaak versierd en verguld; doch naar de uitwendige gedaante te oordeelen, had ik haar nog grooter verwacht; men verzekerde mij, dat ’er niet meêr dan 2200 aanschouwers in geplaatst kunnen worden. In het parterre kan men ook niet zitten; men betaalt in hetzelve en op de bovenste galerij £ 1–2-: en voor de plaatsen in het orchest de eerste galerij enz. £ 3–6-:—Het was ’er heden zeer vol; want Talma en zijne vrouw speelden ’er in Henry VIII. ou la mort d’Anne Bouleyn, Treurspel van Chenier, hoewel het beste niet, dat hij gemaakt heeft. De kleeding van Madame Talma was ook zeer naauwkeurig, waaromtrent de Fransche Actrices anders dikwijls zondigen, vooral als de kleeding, zoo als zij in het stuk te pas komt, niet bevallig genoeg naar haar zin is. Dit Treurspel werd over het algemeen vrij goed gespeeld, en Talma en zijne vrouw zeer sterk toegejuicht; doch het geraas, dat ’er door het vreesselijk gedrang in het parterre plaats had, was dikwijls hinderlijk. Ik had mij daar ook geplaatst, maar was ’er gansch niet op mijn gemak. Na het Treurspel vertoonde men ’er een stukje van Alexander Duval, genaamd Shakespeare amoureux ou la pièce à l’etude. In dit blijspel, waarin maar drie vertooners voorkomen, speelt Talma, die anders niet dan in het Treurspel voorkomt, de hoofdrol, en verdient ook daar in wel gezien te worden15; Madame Talma, en een Bordeauxsche Actrice voldeden ook wel.
1 Men heeft daartoe omtrent drie kwartier werk.
2 Ook heb ik maar zeldzaam iets in dien smaak aangetroffen, dat daar bij verdient vergeleken te worden.
3 De wijk van den rooden hoed.
4 De Koninklijke plaats.
5 De plaats der Vrijheid.
6 Brunet munt vooral uit in de onderscheidene rollen van Jocrisse, en voldoet voor een’ enkelen keer wel; doch men moet hem niet dikwijls zien.
7 A grand Spectacle, dat is met veel tooneeltoestel, dansen, marschen, krijgsoefeningen, geregten, enz. In zeer vele pantomimes, zoo als in die, welke ik hier zag, en die la laitière polonnaise ou les crimes de l’Amour genaamd wordt, danst men niet.
8 De Kerk van St. Andréas heeft drie torens en twee honderd klokken, of en twee zonder klokken; want deux cens en deux sans wordt op dezelfde wijze uitgesproken, het eerste beteekent twee honderd, en het laatste, twee zonder.
9 Te Parijs, op een gebouw, op de Pont Neuf staande, en de Samaritaine genaamd, is een gebrekkelijk klokkespel, doch het speelt niet door het uurwerk. Men hoort het niet dan bij plegtige gelegenheden, en dan staan de Parijsenaars dat torentje met een open mond aan te gapen.
10 Die meêr van dit Amphithéater weten wil, leze daar op na les Annales Politiques et Statistiques de Bordeaux etc. à Bordeaux, chez Moreau an IX. Ik meen daarin ook eene afbeelding van hetzelve gezien te hebben.
11 Restaurateur is een kok, waarbij men gaat eten. Zoekende de geregten op een lijst, waarop zij, met den prijs ’er achter staan, uit. Een Boulanger te Parijs, was hier, zegt men, in 1765 de uitvinder van, verkoopende eerst versterkend vleeschnat, waar bij hij vervolgens gekookte hoenderen, eijeren, enz. voegde; terwijl voor zijn deur geschreven stond: Venite ad me omnes qui stomacho laboratis, et ego restaurabo vos. En het niet zeer betamelijk toepassen van dezen Bijbeltext gaf aanleiding tot den naam van restaurateur.
12 Een bewijsschrift, waaruit blijkt dat men bij zijn Ambassadeur en bij de Politie bekend staat; de handteekening van de Ambassadeur moet alweder eerst door den Minister Talleyrand bewaarheid worden, eer men zulk een bewijs kan bekomen bij de politie, hoewel de Prefect die handteekening even zoo goed kent als de Minister, en ook nog maar weinig tijds geleden, die bewijzen, welke NB. van tijd tot tijd moeten vernieuwd worden, alleen op de handteekening van de Ambassadeurs, en zonder eenige betaling daar van te nemen, uitgaf. Ik zeg, dat zij van tijd tot tijd moeten vernieuwd, omdat dit het bezwaar nog grooter maakt, alzoo de handteekening van den Ambassadeur gedurig moet bewaarheid, en alzoo ook gedurig de £ 10–:–: betaald worden. Voor Ambachtslieden, leergezellen, of andere weinig vermogende lieden, welke zich echter niet onder de behoeftigen willen rangschikken, is deze betaling een drukkende last. Bij onze legatie te Parijs behoeven wij geen duit te betalen, men is daar zeer vriendelijk en geschikt, en hoewel ik met den Heer Schimmelpenninck niet bijzonder bekend ben, heb ik echter gelegenheid gehad, om op te merken, dat hij in Frankrijk als een achtingwaardig Staatsman wordt beschouwd. Van zijne echtgenoote hoorde ik ook met veel lof spreken, bijzonder wegens hare milddadigheid omtrent de noodlijdenden.
13 Deze wijze van verkoopen heeft ook nog in Bataafsch Braband plaats.
14 Al weder een Apollo, de drie bevalligheden en de negen zanggodinnen. Wanneer zal men toch van dat eenzelvige, dat ’er bij al wat tot de tooneelkunst behoort, nog aanhoudend plaats heeft, eens afstappen.
15 De eerste vertooning van dit stuk, die den 2 Januarij dezes jaars au Théatre Français te Parijs plaats had, was niet gelukkig, naderhand echter is het beter geslaagd.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
