Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805

Drie en twintigste brief (1 van 2)

Bordeaux, 1 October.

Daar ik hier in een der voornaamstte wijnlanden van Frankrijk ben, en het omstreeks deze stad thans juist in het hartje van den wijnoogst (vendeange) is, wilde ik dien zien, en ging ten dien einde den 26en dezer naar het kasteel Hautbrion, 3/4 uurs van de stad, of van de St. Juliaans poort, (porte St. Julien) welke men uitgaat, gelegen. Die poort is een modern en niet onaanzienelijk gebouw. Door de voorstad, die ’er gnap uitziet, en een aangenamen weg, langs tuinen en wijngaarden loopende, komt men te Hautbrion. Men was ’er in het drukste van den oogst. De wijngaarden hier omstreeks doorloopende, vonden wij ’er eene menigte mannen en vrouwen, jongens en meisjes bezig, met de druiven te snijden, en ’er uit te dragen; zij zongen tusschen beide half Fransch en half Patois Gascon, en schenen zeer vrolijk. Een man met een stokje in de hand, was gesteld, om de kinderen in order te houden. Buiten den wijngaard werden de druiven in kuipen of tonnen op een kar, met twee ossen bespannen, geladen, en zoo naar het pershuis gebragt; bij dit pershuis was eene niet onaardige wooning. De rentmeester van het landgoed, waar van de eigenaar, naar hij ons verhaalde, te Parijs woonde, ontving ons, hoewel wij hem niet kenden, of geene de minste aanbeveling aan hem hadden, zeer vriendelijk, en liet ons de wijze, op welke de wijn gemaakt werd, zien. Als vele onzer landslieden zagen, hoe daar mede gemorst wordt, zij zouden ligt huiverig zijn, om ’er van te drinken1. In het pershuis waren twee vierkante houten bakken, hebbende naar gissing omtrent 10 à 12 voet lengte, even zoo veel breedte, en ongeveer 2 voet diepte; zij stonden eenige voeten van den grond verheven; in deze bakken werden de druiven geworpen, en vijf à zes menschen vertreden die dan met hunne bloote voeten, dit noemt men Fouler le Vin; het sap liep door een gat, aan de voorzijde gemaakt, in kuipen, en twee andere mannen droegen het van daar in eene andere groote en hooge kuip, daar zij met eenen trap naar toe moesten klimmen. Deze kuip was nog nieuw van eikenhout gemaakt, en met ijzeren hoepels omringd; de rentmeester verhaalde mij, dat dezelve £ 1500—gekost had; men verkiest voor diergelijke kuipen het eikenhout, hier omstreeks groeijende, boven het vreemde, omdat het minder hard is. In deze kuip liet men het sap en de verpletterde druiven 10 à 12 dagen staan, eer men ze verder uitperste en op vaten deed. De witte wijn, dien men hier minder teelt dan de roode, was reeds in de vaten, en gistte aanhoudend, zoodat de schuim door het bomgat, dat openstond, uitliep; deze wijn, hoewel pas 14 dagen oud, was reeds zuurachtig. Men liet ons ook den wijn van voorleden jaar, en van dien, welke eenige jaren oud was proeven; deze laatste vooral was zeer lekker. De wijn van Hautbrion behoort tot de beste en fijnste wijnen, die in deze gansche landstreek geteeld worden, doch om goed te zijn, moet men ze ouder laten worden dan doorgaans de Medoc, en ze niet eerder drinken, voor dat zij 5 à 6 jaren oud is. De druif is hier klein, donker van kleur, hard van schil, en niet zeer aangenaam van smaak. De wijnoogst was ook hier over het algemeen goed, echter hadden de wijngaarden door de voorjaarsvorst nog wat geleden.

Ik heb opgemerkt, dat de behandeling van den wijngaard in de onderscheidene streken van Frankrijk verschillende is. In Bourgogne wordt de stam al vrij kort gehouden, en de ranken tegen een regt overeind staand stokje opgebonden. In Provence en Languedoc laat men de stammen langer, en men bindt de ranken niet op, maar doet ze over den grond kruipen, omdat dezelve daar door beschaduwd zijnde, minder zouden uitdroogen. Naar de kanten van de Pyreneën worden de stammen nog hooger, en sommigen zijn vrij dik. In het Departement der hooge Pyreneën zelfs groeijen de wijngaarden, die somtijds vrij zwaar zijn, zoo als ik u gezegd heb, tegen kersen of andere boomtjes op, en in deze streek worden zij weder kort gehouden en tegen stokjes opgebonden.

Al wat men ons in Holland voor Bordeauxsche en Medoc wijnen verkoopt, moet men niet gelooven, dat in die landstreek groeit; een groot gedeelte Languedocsche wijnen loopt daar onder. Al die wijnen verbeteren veel door de reis over zee, en wij hebben daar bij beter slag, om ze te bereiden dan de Franschen zelve, en welligt is ’er onze luchtstreek ook beter toegeschikt. De Bourgogne-wijnen worden in Frankrijk vrij algemeen voor gezonder gehouden dan de Bordeauxsche, vooral voor lieden, die met jicht, graveel of diergelijke kwalen gekweld zijn.

In de stad terug gekeerd, ging ik het Panorama van Lyon bezigtigen, omdat ik die stad en omstreken juist van dezelfde plaats gezien had, van waar het Panorama geteekend is. Ik vond het zeer wel gelijkende, en deze vertooning was voor mij des te aangenamer, daar het mij duidelijk, al het geene ik te Lyon gezien had, herinnerde. Jammer was het, dat de begoocheling hier en daar benomen werd door eenige plooijen, die in het doek waren. Het zelve opgerold van Toulouse op hier in een lekke schuit ingescheept geweest zijnde, was vochtig geworden, en aan de kanten wat verstikt; hier door kon men het op sommige plaatsen niet goed spannen, dit gebrek was echter wel te verhelpen. Op de plaats, achter deze vertoonplaats, zag men le Bellier Hydraulique van Montgolfier; dit werktuig, dat gij ongetwijfeld kennen zult, bragt hier het water 42 voeten hoog. Nog zag men hier een werktuig, dat men la Pendule merveilleuse2 noemt. Deze wijst een woord, dat men geschreven heeft aan, op deze wijze: het briefje waar op een of twee woorden geschreven zijn, gaf ik het aan de vrouw die het werktuig laat zien; deze zag het in, en wees met een wijzer op den muur over de pendule, alwaar al de letters van het Alphabet stonden, een voor een dezelfde aan die ik geschreven had; daarna wond zij de pendule, die naar gissing 10 of 12 voeten van daar stond, op, en deed de slinger bewegen, en nu werden op de wijzerplaat, waarop insgelijks de letters van het A. B. C. stonden, dezelfde letters die ik geschreeven had aangewezen. Deze pendule is afgezonderd (geisoleerd), staande op een glazen of kristallen kolom, waar men door heen zien kan, en rondom vrij. De werking kan echter, dunkt mij, niet anders dan door een compère3, en door den magneet geschieden: waartoe anders ook de aanwijzing van de letters op den muur. De uitvinder van dit werktuig, die zich Alexandre noemt, en ook directeur is van het panorama, zegt, dat het op eene andere wijze werkt.

’s Avonds ging ik het Tooneel de la Gaité weder bezoeken, Majeur speelde zeer aardig de Ricco. Le foyer (de koffijkamer zou men bij ons zeggen) van dit Schouwburgje is eene nette en fraaije zaal; ’er is ook een tuintje achter, daar men in kan gaan wandelen, om tusschen beiden eens lucht te scheppen. Alles ziet ’er nog nieuw en frisch uit; want het is nog geen jaar geleden, dat het gebouw voltooid is.

Den 27 dezer zag ik bij den Heer Lacour, voornaam schilder alhier, en correspondent van het Instituut te Parijs, eenige fraaije schilderijen en teekeningen. Onze landgenoot de Heer van Spaendonck, Professor in de schilderkunst, (zijnde een der voornaamste bloemschilders thans bekend) en lid van het Instituut te Parijs, had mij een aanbevelingsbrief aan dezen Heer medegegeven4. Onder de schilderijen die ik hier zag, waren eenige goede stukken van Nederlandsche meesters, zoo als Ruisdaal, Wouwerman, Teniers, Adriaan Brouwer, Poelenburg enz. Onder de teekeningen munten uit twee groote en uitvoerige met de pen op perkament, door Willem de Heer, in den smaak van Ostade; ook bezit de Heer Lacour eene zeer schoone schilderij, behoorende tot de Venetiaansche school, en zijnde waarschijnlijk van Sebastien del Piombo, ook Sebastiano Veneziano genaamd; het verbeeldt Judith in de tent van Holofernes, dien zij het hoofd heeft afgeslagen, het welk zij in een zak werpt, die door eene andere vrouw opgehouden wordt. Dit stuk is zekerlijk lang verloren geweest, zijnde zoo vuil en zwart, dat men niet kon erkennen, wat ’er op stond, toen de Heer Lacour het alleen om het paneel kocht. Gevallig ontdekte hij naderhand, dat het der moeite waardig zou kunnen zijn, om schoon te maken; het geen dan ook ondernomen werd, en men beklaagde zich zulks in ’t geheel niet. Daar de stukken van dien beroemden meester, en om de kunst, en omdat zij vrij zeldzaam zijn, veel geacht worden, zou deze schilderij, hoe schoon ook buitendien op zich zelve, nog van veel meerder waarde zijn, als men bewijzen kon, dat het van den voornoemden meester is. In eenige werken over de schilderkunst wordt gesproken van een gegraveerde plaat, verbeeldende de geschiedenis van Judith, naar eene schilderij van Sebastien del Piombo. De Heer Lacour en zijne vrienden te Parijs en elders, hebben zich al veel moeite gegeven, om deze plaat op te sporen; doch zijn daarin tot nog toe niet geslaagd. Zoo gij somwijlen gelegenheid mogt hebben, Vriend! om dien aangaande iets te ontdekken, laat dezelve dan niet voorbijgaan, zonder ’er het meest mogelijke gebruik van te maken. Den achtingwaardigen eigenaar van het stuk daar door dienst doende, zult gij mij tevens veel vriendschap bewijzen. In eene geschiedenis van het Oude en Nieuwe Testament, (Histoire de l’Ancien et Nouveau Testament) langwerpig 4to5, staat ook een plaatje, waar van de teekening, hoewel op zich zelve niet veel beduidende, naar deze schilderij schijnt gevolgd. De zoon van bovengemelden Heer Lacour, een bekwaam plaatsnijder, heeft dit stuk verkleind (want de figuren zijn weinig minder dan levensgrootte) geteekend, en is voornemens, om deze fraaije teekening eerstdaags in het koper te brengen. De Heer Lacour de vader is thans bezig aan een groot stuk, verbeeldende een gedeelte van de kaai en haven van Bordeaux; het gezigt van den kant des Chartrons genomen. Het wordt zeer fraai en naauwkeurig geschilderd, en de huizen enz. op de plaats zelve uitvoerig geteekend; het laat zich reeds aanzien, dat deze schilderij wel beantwoorden zal aan den roem van den meester.

’s Avonds ging ik weder in den groote Schouwburg, doch niet meêr in het parterre; om door Talma de Othello van Shakespear te zien spelen. Het is een van de rollen, waarin hij uitmunt,—nimmer zag ik hem beter;—welk eene woeste en afgrijsselijke houding,—en zoo ziet ’er toch een mensch, door woedende driften vervoerd, uit.—Hij deed mij somtijds ijzen, en eene koude rilling gevoelen6. Deze verdienstelijke schouwspeler brengt het in dit vak vooral al ongemeen ver. Zijne vrouw speelde ook goed voor de minnares, en een van Hove, tot dit Tooneel behoorende, voldeed wel in de rol van den Vader, en schijnt een goed schouwspeler te zijn; echter was hij niet zeer vast in zijn rol. In het begin was ’er door het gedrang in het parterre, zoo een sterk geraas, dat de vertooning daar door tusschen beide werd verhinderd, zoo dat de vertooners een en andermaal moesten stilzwijgen, en dit is aan niets anders toe te kennen dan aan de verkeerde inrigting, die aan dat gedeelte der aanschouwers geen zitplaatsen vergunt. Naderhand werd het evenwel stilder. Talma en zijn vrouw werden ongemeen sterk toegejuicht; een lauwerkrans, als het hoogste blijk van genoegen, werd op het tooneel geworpen, en deze beide vertooners met algemeene stemmen gevraagd7. Les trois Frères Rivaux8 van la Font, werd door de Bordeauxsche schouwspelers ook vrij wel vertoond. Om meêr plaatsen te winnen, had men die van de muzijkanten voor de aanschouwers ingeruimd, en nog was het overal stikkend vol.

Den 28 dezer, na bij den Heer Lacour nog eenige kunststukken en oude medailles, waarvan een gedeelte alhier omtrent de voorstad St. Seurin gevonden werd, gezien te hebben, ging ik met hem het Museum van Natuurlijke Historie, Schilderijen, Oudheden; enz, bezigtigen. Het behoort aan bijzondere personen, die het voor geld laten zien; doch daar de Heer Lacour met hun bekend was, kostte het ons niets. In eene ruime en fraaije zaal, waarin het licht van boven invalt, ziet men verscheidene schilderijen, waar onder eenige fraaije: op de lijsten van de meesten leest men den naam van den een of anderen voornamen meester. In dezelfde zaal ziet men eenige wapenen en andere werktuigen van zoogenaamde Wilden, eenige opgezette en in wijngeest bewaarde dieren, mineralen, enz. doch de opgezette dieren waren zeer door de mot beschadigd; twee mummien of gedroogde lijken van Teneriffe, een groote oude lijkbus van gebakken steen, die te Toulouse gevonden was, eenige aardevaten der ouden, fraai gemaakt, en glad en blinkende, of zij verglaasd waren, enz. In een andere pot of lijkbus met een deksel, toonde men nog eenige half verbrande beenderen, die men zeide dat ’er in gevonden waren. Men liet ’er ook eenige traanflesjes (lacrimatoires) die hier omstreeks gevonden waren, zien; doch het geen ik bijzonder merkwaardig vond, was een genoegzaam vierkante steen, naar gissing omtrent 3 voeten hoog, en wat minder breed; op drie zijde was beeldhouwwerk en basrelief van eene goede teekening, verbeeldende de middelste en breedste zijde Jupiter en Ganimedes, en de twee anderen Juno en Leda. De zoon van den Heer Lacour heeft deze beeldtenissen geteekend en gegraveerd. Ik zend ’er u hier nevens een afdruk van. De trekken die gestipt zijn, heeft hij, als genoegzaam verwoest, bijgeteekend. Deze steen is pas omtrent drie weken geleden gevonden, bij het graven van een’ kelder voor een nieuw huis dat gebouwd wordt, ter zijde van het Hotèl van de voormalige Intendance, en de straat genaamd rue des Fosses9 de l’intendance. Men veronderstelt dat deze steen gediend heeft tot een piedestal van het beeld van Jupiter; hebbende de ruwe of onbewerkte zijde tegen den muur gestaan, misschien in den tempel van Jupiter, waar van ik hier voor gesproken heb. In vroegere tijden is hier, zoo als de naam van de straat nog aanduidt, een gracht geweest, en deze steen is daar welligt met andere afbraak in geworpen om dezelve te dempen. Het gemelde huis en kelder nog niet voltooid zijnde, zag ik daar nog verscheidene bewerkte steenen, half in den grond liggen; op sommigen was loof- en lijstwerk van een’ goeden smaak, doch ik zag ’er ook een, waarop eenige beeldtenissen waren, die ’er vrij Gothisch uitzagen. Alle deze steenen, geelachtig van kleur, behooren tot de soort, die men hier omstreeks en in de meeste steengroeven van Frankrijk vindt, en doorgaans gebruikt wordt, om te bouwen. Oudheidkundigen zullen hunne gevoelens over den opgemelden steen denkelijk wel bekend maken.

Oude steen te Bordeaux gevonden.

Verder gingen wij het kabinet van schilderijen van den Heer Journu-Aubert lid van de Senat Conservateur bezigtigen, in een huis niet ver van den grooten Schouwburg, Rue des Fosses du Chapeau Rouge. Vier stukken van Joseph Vernet10, schilder van verscheidene Zeehavens enz. verdienen daar in bijzonder opgemerkt te worden; die meester heeft ze voor dit Kabinet, dat niet groot is, doch waar in men behalve deze nog verscheidene fraaije stukken ziet, geschilderd. De namen van vele voortreffelijke meesters zijn ook op de fraai vergulde lijsten te lezen.

In dit zelfde gebouw, dat vrij groot is, ziet men ook eene danszaal, en eenige anderen daar bij behoorende vertrekken, op de wijze van een grot, aardig geschilderd en versierd. Deze plaats, waar van men vooral met den vasten-avondtijd (Carnaval) gebruik maakt, moet bij avond verlicht zijnde, geene onaardige vertooning maken. Men noemt dezelve Frascati.

Na het middagmaal zag ik in de voorstad, achter de Jardin Public wandelende, aan het eind van dezelve een fraai lusthuis en tuin; een gedeelte daar van was afgezonderd, en diende thans om danspartijen en zoogenaamde landelijke feesten (Fètes Champêtres) te geven. Men noemde het Tivoli, alles om Parijs na te apen, waar men ook zulk een Frascati en Tivoli heeft.

’s Avonds ging ik au Théatre Français; men gaf ’er een nieuw stuk, dat niet veel beteekende, en een ander dat ik te Parijs reeds gezien had. Hier betaalt men 15 sols in het parterre, dat ook slechts eene staanplaats is. Ondertusschen, daar de avonden lang beginnen te worden, zijn diergelijke plaatsen voor de vreemdelingen goed, om ’er een uurtje in door te brengen. Die van Bordeaux schijnen nog al liefhebbers van het Tooneel te zijn; doch naar ik vernam, bestaat hun uitspanning en pracht bijzonder in de goede sier, en het houden van maaltijden, als een blijk hier van onder anderen, vindt men in hun voornaamste Almanak (Calendrier de la Gironde) van het laatst afgeloopen Fransche jaar, achter een lijst van de Departementale en Stedelijke Besturen, Regtbanken, Bankiers, Makelaars, Kooplieden enz. eene onderrigting, om eene tafel voor twaalf personen aanteregten (Instruction pour regler le service d’une table de douze couverts.) Nu het is hier ook in der daad een soort van luilekkerland, goed vleesch, vooral rund en schapen, haperen ’er niet, daar Gascogne nog al wat weiland oplevert, zoo min als versche zee- en riviervisch; de omstreken leveren ook onderscheidene soorten van wildbraad en tam gevogelte in menigte op, waarbij men veeltijds de beroemde truffels, die het naburig land van Périgord oplevert, voegt; Perigueux de hoofdstad van dat land is beroemd om de patrijzen-pastijen; en de wijn begrijpt gij dat bij dit alles niet hapert, hoewel de fijne en lekkere soort ’er gansch niet algemeen en bijna zoo duur is als bij ons. De wijn, dien men in de herbergen, zelfs in de voorname, gewoonlijk drinkt, is maar redelijk; en als men een flesje extra wil hebben, moet men ’er al 4 of 5 livres voor neêrtellen, en dan heeft men nog van den allerbesten niet. Over het geheel zijn de levensmiddelen hier duur, zelfs houdt men Bordeaux voor de duurste plaats van Frankrijk; het geen ik voornamelijk aan den overvloed van geld, die ’er althans in vredestijd plaats heeft, toeschrijf. Menschen, die rijk zijn, en het voornamelijk om lekker eten en drinken te doen is, zou men deze stad wel tot eene woonplaats kunnen aanraden.

Den 29 dezer; daar men mij de Kerk der voormalige Carthuizers, in een der voorsteden, als bezienswaardig had opgegeven, ging ik die heden bezigtigen. In het voorbijgaan zag ik die van St. Seurin, waarin steenhouwers, metselaars, en andere werklieden, drok bezig waren met dezelve op te gnappen; merkwaardigheden vond ik ’er niet. Het koor van de Carthuizer Kerk is rondom van marmer; maar vooral verdient het schilderwerk van het gewelf in deze Kerk, om de aardige uitwerking die het maakt, bewonderd te worden; het bestaat slechts in eenig loofwerk enz. en boven het koor ziet men een koepel, rondom met glasramen; deze inzonderheid is zoo natuurlijk geschilderd, dat men zou meenen dat hij wezenlijk bestond.

In het terug keeren las ik op den hoek van een straat rue plus de Rois, en op die van een anderen rue haine aux Tyrans. Gij begrijpt dat ’er deze opschriften van daag of gisteren niet gezet zijn. Thans is ’er ook een straat, die men rue Bonaparte noemt.

Heden was het weder vrij zacht, anders hebben wij hier, hoewel op 44 graden, 50 minuten noorderbreedte, en pas in het begin van den herfst, al eenige dagen gehad, dat het ’s morgens en ’s avonds een weinig koud was.

Onze landgenoot de Heer van Erichem, Doctor in de medicijnen alhier, onthaalde ons op een lekker middagmaal naar den Hollandschen trant, waarbij zelfs watertongetjes, die zeer goed waren; die hupsche en vriendelijke man, welke hier reeds verscheiden jaren woont, en als een kundig Geneesheer bekend is, heeft echter nog veel van de Hollandsche gebruiken behouden, onder anderen is hij nog een groot liefhebber van de pijp, en zijne echtgenoote, hoewel eene Fransche, is redelijk genoeg, om zich hier na te schikken. De Fransche vrouwen zijn anders over het algemeen zeer tegen het tabak roken, en een pijp is genoeg, om haar een gezelschap te doen schuwen.

Na den maaltijd gingen wij met den Heer van Erichem en zijne huisvrouw, den tuin achter het huis van den Heer Gramont, een der voornaamste Kooplieden van deze stad, bezigtigen; dit huis is aangenaam gelegen aan het eind van de kaai, naar den kant van de scheepstimmerwerven. De tuin is niet onaardig, en gedeeltelijk in den Engelschen smaak aangelegd; een gemetseld grachtje met stil staand water, waarin eenige zwanen en eenden, loopt ’er door. Doch hij, die Hollandsche tuinen en buitenplaatsen gezien heeft, vindt hier in ’t geheel niets bijzonders. In een klein park had men ook een paar reeën, en het geen vreemd was, een van de twee scheen zeer boosaardig, zoo dat, als ’er iemand in het park kwam, zij terstond naar hem toe liep; zij zette zich voor hem op de achterste pooten, en krabde met de voorste. De tuinman was ’er zelfs bang voor, doch wij wapenden ons ieder met een tak van een boom, na een paar slagen, stelde zij zich niet meêr te weêr, maar liet zich zelfs streelen.

Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.