Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Drie en twintigste brief (2 van 2)
In het terug keeren, niet ver van daar op de kaai, toonde men mij het Vondelinghuis, ook l’Hôpital de la Manufacture genaamd, het is een groot en aanzienlijk gebouw; ’s jaarlijks werden ’er doorgaans 400 à 500 vondelingen in gebragt; zij worden in een draaipoortje (tour) gelegd, en men waarschuwt door een bel die daar naast hangt11. Hoe zeer deze gestichten strekken ter voorkoming van afgrijsselijke misdaden, moet men toch bekennen, dat zij aanleiding geven, en een ruime deur openzetten voor ongeregeldheden en liefdeloosheid; vooral bij Fransche moeders in voorname steden, welke zoo algemeen de afgrijsselijke gewoonte hebben, van hare zuigelingen, zoodra zij geboren zijn, van zich aftestooten, en aan vreemden buiten de stad, en dikwijls eenige uren van daar overtegeven, en dus de ongevoeligheid omtrent haar kroost al zeer ver hebben gebragt. Zulke moeders zien dikwijls eene henne met hare kiekens, en zij blozen niet.—Welke gevolgen moet dit voor het vervolg op de opvoeding, en dus ook op de Maatschappij, niet hebben? Diergelijke gebreken vindt men in menigte in die maatschappelijke inrigting, die men ons als zoo goed en zoo verkieslijk aanpreekt; en hij die zich durft vermeten, om ’er iets tegen te zeggen, wordt voor een Jacobijn of Filozoof, twee nieuwe scheldnamen, uitgedacht, om redelijke menschen hatelijk te maken, uitgekreten12.
’s Avonds ziet men hier in de Koffijhuizen (waar onder ’er verscheiden, die zeer fraai en net zijn) veel bier drinken13. Het Hollandsen bier is hier ook bijzonder geacht; hier en daar leest men nog op de uithangborden Bierre de Hollande; en wij zelve maken ’er zoo weinig werk van, dat deze trafiek geheel in verval geraakt. Men maakt hier ook anijsdrank onder den naam van Anisette de Bordeaux bekend; doch hij is op zijn best half zoo goed als onze Amsterdamsche Anisette uit het Loosje, of van Fokke; dit bekennen de Franschen zelve, en maken van de Anisette, zoo wel als van de Curassau de Hollande14 ongemeen veel werk, en wij laten die soort van goed uit Frankrijk komen, en betalen het duur.
Den 30 dezer, zijnde zondag, ging ik de groote misse in de St. Andréas Kerk hooren; ’er werd vrij goed gezongen, en het orgelmuzijk was zeer aangenaam; deze en eenige andere Kerken, die ik bezocht, waren tamelijk vol volk. Die van Bordeaux worden voor zeer gehecht aan den regeringsvorm, zoo als die voor de omwenteling bestond, gehouden, en zijn dus ook ijverige Roomschgezinden. Deze plaats zeer veel handel met Engeland, zoo wel als met Holland drijvende, welke handel thans genoegzaam geheel gestremd is, kunt gij begrijpen hoe de Kooplieden gezind zijn; want de handel is hier even als in onze kooplieden de spil, waarop alles draait, en de handelgeest de voorname drijfveer van de bemoeijingen der meeste ingezetenen.
Hier is ook eene school van Koophandel, (Ecole de Commerce) waar de gronden van den beoefenenden Koophandel onderwezen worden, benevens de Aardrijkskunde tot den koophandel betrekking hebbende, deszelfs regten en wetten, en de zedekunde van den Koopman. De lessen worden in het openbaar, en om niet (gratis) dagelijks, behalve op Zon- en Feestdagen, gegeven; en de onderwijzers zijn H. C. Guille Professor, en Chalret toegevoegde (suppléant).—Was dit voor ons geen voorbeeld ter navolging?
De wallen van het Chateau du Haa, dat niet ver van deze Kerk gelegen is, zijn gesloopt, en sommige muren afgebroken; het ziet ’er dan hier door de puinhoopen enz. woest en onoogelijk uit. Het Kasteel zelf dient thans voor een gevangenis. Deze sterkte werd, benevens le Chateau Trompette, in 1451 of 1452 onder Karel de VII. gebouwd, en beide zijn in de geschiedbladeren van Frankrijk, vooral met opzigt tot de burgeroorlogen, zeer bekend.
Behalve de allées de Tourny, is ’er nog een lange regte en vrij breede straat, loopende van de Place Nationale, tot voorbij de Jardin Public, zij is aan beide zijde met boomen beplant, en dient ook voor eene wandelplaats; men noemt dezelve le Cours de Tourny. De Allées de Tourny, hebben wel iets van de Boulevard du Temple te Parijs in het klein; ’er is een kleine Schouwburg, Marionnetten, koorddansers of springers en andere spellen, waar men zeldzaamheden enz. laat kijken; de twee Engelschen welke een soort van geschubde huid hadden, en die ik reeds te Parijs gezien had, waren thans ook hier. Ook zag ik ’er eene vrouw, van, naar het mij voorkwam, ruim 30 jaren, hebbende een’ zwaren baard van zes duim lengte, ongemeen sterke wenkbraauwen, en bijzonder op hare beenen zeer veel haar. Deze vrouw was nog maar vijf dagen geleden in de kraam bevallen, en het kind was ook op verscheiden deelen van het ligchaam met haar bewassen, had reeds bakkebaarden, en zeer zware wenkbraauwen; het was bruinachtig van vel, doch zag ’er anders zeer gezond uit. De moeder liet het zuigen, en ik verwonderde mij over de blanke borsten van die vrouw, waarop die rosachtige en grijze baard eene afzigtelijke vertooning maakte; over het geheel scheen deze vrouw niet kwalijk gemaakt, doch was zeer zwak van gezigt, en had behalve den baard, zeer onbevallige wezenstrekken. Ondertusschen heeft zij toch nog een minnaar in een oppasser of knecht gevonden; zoo vreemd en misselijk is somtijds de smaak der menschen. Volgens de bekendmaking, zou haar een Hollandsch Koopvaarder uit Noorwegen mede gebragt hebben; ondertusschen sprak zij tamelijk Fransch, en hare stem, zelfs in het zingen, was juist niet onaangenaam. Naast den kleinen Schouwburg is ook een huis, waar openlijk verscheidene soorten van dobbelspelen dagelijks gespeeld worden; men ziet ’er niet anders dan ambagtslieden, varensgasten, en diergelijke, tot den zoogenaamden lagen burgerstand behoorende; ook zag ik ’er verscheidene aankomende jongelieden; ’er was doorgaans veel volk. Ik herhaal het, hoe is het mogelijk, dat men zoo iets in eene geregelde maatschappij duldt?
Na den middag ging ik naar eene soort van tuin, even buiten de stad, naar den kant van de voorstad St. Seurin, men noemt dezelve Plaisance; ’er werd gedanst, en eenige spellen, zoo als in een molen draaijen, op een plank wippen, schommelen enz. gespeeld; doch door het gure en onaangename weder, was ’er niet veel volk.
Voorleden Zondag had ik al hooren aankondigen, en aangeplakt gezien, dat men ’s avonds in het Marionnettenspel de Geboorte van J. Christus zou vertoonen, zoo als zulks toen ook geschied was, en heden avond moest hetzelfde weder plaats hebben; zulk eene zonderlinge vertooning willende zien, ging ik ’er heen. Men begon met den Engel, die Maria de boodschap bragt, vervolgens zag men de aankomst van Maria en Joseph aan de herberg, de Geboorte, de Wijzen uit het Oosten, den Kindermoord, de vlugt naar Egypten, enz. De toestel was voor zulk eene soort van vertooning nog al zoo heel slecht niet, maar de waard van de herberg, als een Fransche kok gekleed, en een Pastoor met een zwarte tabbaard aan en een vierkante muts (bonnet carré) op, kwamen ’er misselijk in.—In eene plaats, waar men nog al werk van den kerkelijken eerendienst schijnt te maken, zulk eene onteerende vertooning—welke ongerijmdheid! Met dat al was ’er veel volk, en de meesten zaten met de grootste aandacht te kijken.—Wat zegt gij hier van, Vriend! zoudt gij zoo iets in deze tijden, en in een der voornaamste steden van Frankrijk wel gezocht hebben?
Den 1en October, voornemens zijnde om morgen niet den postwagen van hier op Tours te vertrekken, had ik reeds voor eenige dagen plaatsen besproken; want men moet het thans op het laatst niet laten aankomen, omdat ’er al eenige nieuwsgierigen, om het aanstaande krooningsfeest te zien, op reis gaan.
Niets willende overslaan, ging ik de vesting le Chateau Trompette genaamd, ook van binnen bezigtigen, doch vond ’er niets merkwaardigs. Naar men mij verzekerde, bestaat ’er reeds sedert eenige jaren een ontwerp, om deze vesting geheel te slopen, den grond te doen bebouwen, en dit schoone gedeelte van de stad, alzoo aanmerkelijk uit te leggen.
Daar het heden markt was op de plaats, bij de poort St. Julien, ging ik daar henen, om de boeren van de Landes (heigronden)15 welke op stelten loopen, te zien; digt bij de markt ontmoette ik ’er een, zijne stelten waren zoo hoog, dat hij wel drie voeten van den grond verheven was16; en door de wijde schreden, die hij daar mede deed, vorderde hij zoo sterk, dat men hem op een drafje loopende niet bijgehouden zou hebben; hij had een’ langen stok in de hand, om zich te ondersteunen; sommigen, naar ik vernam, gebruiken die ook, om zittende op te rusten, doch dan is hij korter en met eenen platten knop ’er op. De kleeding van dezen man bestond in een kort kamizool van rooden stof, met mouwen tot op de hand, en een ander wat langer en wijder met mouwen tot aan de elleboogen, van bruinachtig grof laken of pij ’er over; hij had een plat gebreid mutsje op van bruine wol (berette) zoo als de boeren van het landschap Bearn, waarvan ik reeds gesproken heb. Op de stelten stond hij blootvoets, en had om de beenen stukken schapenvel met de wol naar buiten, als een soort van slopkousen; in den winter of bij slecht weder, heeft hij ook een soort van overrok zonder mouwen van schapenvellen, met de wol naar buiten, aan. Onder aan hun stok en stelten is, in plaats van ijzer of koper beslag, een stuk van een ossenbeen gemaakt. Hunne haren kammen zij genoegzaam nooit uit, maar ontwarren die slechts met de vingeren, zij staan dan ook steil en als borstels van het hoofd af. De reden, waarom deze lieden op stelten loopen, is, om beter door de hoog en digt begroeide of zandige heiden, als mede over de sloten en groeven, die zich in hun weg opdoen, te kunnen komen, misschien ook om spoediger te vorderen; de herders17 op deze stelten staande, kunnen ook hunne kudde beter overzien. Om de stelten aan te binden, gaan zij doorgaans in hunne hutten op een hooge kas of op den schoorsteenmantel, die vrij hoog is, zitten; en in het veld zijn zij dikwijls verpligt, wanneer ’er zich geen heuveltjes of diergelijken opdoen, om op een boom of struik te klimmen. Hunne vrouwen maken zich eene soort van hoog opstaande kap, van twee of drie doeken als servetten; twee punten daar van zijn van achteren bij elkander gespeld; zij hebben een kort jakje aan, van de een of andere grove stof; overigens zag ik aan hunne kleeding niets bijzonders18. Deze menschen, naar ik vernam, zijn even als de bewoners van de hooge Pijreneën, het geen men ruw en onbeschaafd noemt, daar bij ook zeer bijgeloovig, zoodat men ze door een vertelling van weerwolven of spoken, ligter dan door geweld, zou kunnen verjagen; zij hebben ook hunne bijzondere zeden en gebruiken, doch zijn door de gemeenschap met de naburige steden, alwaar zij schapen, houtskolen, oesters19, wild, enz. ter markt brengen, veel verbasterd en bedorven. Zij staan in dit opzigt alzoo met de goede eenvoudige bergbewoners niet gelijk.
Boeren van Landes.
Terwijl wij over de kleederdragt handelen, moet ik ook een paar woorden zeggen van die vrouwen en dochters alhier, welke tot de klasse der ambachtslieden, dienstmaagden, enz. behooren: zij onderscheiden zich, vooral wanneer zij uitgedoscht zijn, door zeer hooge mutsen, en dragen, even als onze Noord-Hollandsche, eene menigte rokken over elkanderen. In het algemeen zien ’er de vrouwen hier vrij wel uit. Men ontmoet ’er ook op de wandel- en andere plaatsen, voor het openbaar vermaak geschikt, zeer vele gerijfelijke juffertjes, waar onder men ’er vindt, die ’er zeer bevallig uitzien, en de houding en kleeding van de zoogenaamde voorname vrouwen vrij wel weten na te volgen.
Het getal der schoensmeerders, meestal aankomende jongens, was hier zoo groot, dat de Politie ’er voor de zeevaart, nog maar kort geleden, eenige honderden heeft doen oppakken.
Daar de Bordeauxsche wijnen bij ons genoeg bekend zijn, zal ik mij niet ophouden, met u de soorten daar van optenoemen, maar alleen zeggen, dat die, welke men Vin de Grave noemt, en welke onder de meest geachtste soort behoort, dus genaamd wordt, omdat zij op eenen keizelachtigen zandgrond, die de Franschen Gravier noemen, geteeld wordt: de witte is het algemeenste, en wordt, benevens die van Sauterne, hoog geschat. Van de roode Medoc-20wijnen, maakt men zoo wel hier als bij ons zeer veel werk, doch dat land zou al vrij wat grooter moeten zijn, om al de wijnen, die naar hetzelve genoemd worden, te kunnen voortbrengen; maar, zoo als ik reeds gezegd heb, de wijnen komen dikwijls met valsche doopceelen ter markt, en om dagelijks een flesje echte la Fitte, Chateau Margot of diergelijke, op zijn tafel te hebben, is een burgerstuivertje maar in ’t geheel niet toereikende. Gelukkig dat men buiten dien zeer wel gezond en vergenoegd kan zijn, en missen velen dat kostbare roode sap, zij kunnen daar door ook beter de roode jichtbaai (dat toch gansch geen aangename opschik is) missen. De wijnkoopers alhier schijnen vrij algemeen te gelooven, dat de adem van ziekelijke of ongestelde personen, schadelijk is voor den wijn, en laten daarom niet gaarne menschen, die ’er ongezond uitzien, en vooral geene vrouwen, in hunne pakhuizen, die men Chais noemt.
Van de openbare gebouwen sprekende, heb ik nog vergeten, om van de Kerk van St. Dominicus melding te maken. Zij verdient inzonderheid om het fraaije beeldhouwwerk op den voorgevel (facade) wel gezien te worden; thans wordt zij, zoo ik meen, la Paroisse Notre Dame genaamd, en staat tegen over een straat, uitkomende aan de Allées de Tourny; van deze wandeling moet ik ook nog zeggen, dat zij genaamd is naar den Rentmeester (intendant) Tourny den vader, aan wien die van Bordeaux deze wandelingen, en meêr andere aanzienelijke verbeteringen in hunne stad, verschuldigd zijn, en wiens nagedachtenis daar dan ook met reden in zeer veel achting is.
Bordeaux, een der oudste en aanzienlijkste steden van Frankrijk, was voorheen de Hoofdstad van de Provincie, la Guienne genaamd, thans is zij het van het Departement de la Gironde, de naam van de rivier, welke voortgebragt wordt door de vereeniging van de Dordogne en de Garonne. De bevolking van deze stad wordt op ruim 104,600 begroot; zij is aan den linker oever van de Garonne, omtrent 15 uren van de plaats, waar de Gironde in zee valt, gelegen. Haar grondgebied is zeer uitgestrekt, doch naar evenredigheid niet bevolkt, door de moerassen, die ’er van het Noorden naar het Zuid-Oosten langs liggen. Sommigen willen den naam van die stad afgeleid hebben van bord de l’eau, of bord des eaux, (kant van het water) omdat zij aan den waterkant gelegen is. In oude tijden werd zij Aquita, en daar na Burde Galla genaamd.
Deze stad heeft verscheidene beroemde mannen opgeleverd, waaronder de waarlijk groote Michel Montaigne, hoewel niet in Bordeaux zelve, maar op het Kasteel Esquem in het naburig Landschap Perigord geboren, vooral niet moet vergeten worden. Die kloeke wijsgeer was Maire van deze stad omtrent 1581, en stierf in 1592, in den ouderdom van ruim 59 jaren. Het kostelijke werk, dat hij onder den nederigen titel van Essais heeft geschreven, is u ongetwijfeld bekend21. Zulke mannen telt men toch maar weinig in de Geschiedbladeren.
Over mijn herberg l’Hotèl des sept Frères, bij Langueron, petite rue de l’Intendance, was ik wel te vreden; het is ’er vrij zindelijk en gnap, en voor Bordeaux gansch niet duur22.
Gij bekomt nu niet eerder tijding van mij, Voor dat ik te Parijs ben.—Vaarwel!
1 En zekerlijk ging het hier nog op de zindelijkste wijze toe.
2 Het wonderbare staande horlogie.
3 Compère is een medehelper van een goochelaar.
4 De Heer van Spaendonck, van Tilborg geboortig, verdient niet alleen de hoogachting der Hollanders, omdat hij een van de weinigen is, die den oude roem en luister der Nederlandsche school nog op eene schitterende wijze staande houdt; maar ook om zijne hupsche en vriendelijke geaardheid en genegenheid voor zijne landslieden, zoodat men geene andere aanbeveling behoeft dan die van landgenoot, om door hem met vriendschapsbewijzen overladen te worden. Vaderlandsche jongelieden, zich in de schilderkunst willende oefenen, kunnen dan, wanneer zij te Parijs komen, ook staat maken, dat zij door hem voortgeholpen zullen worden.
5 Daar ik slechts eenige bladen uit dit werk gezien heb, kan ik het niet beter aanduiden.
6 De kleeding van Talma was als naar gewoonte weder zeer naauwkeurig; zijn aangezigt was hoog bruin gemaakt, en hij had eenen veelverwigen tulband op.
7 Dit is een eerbewijs, dat men den schouwspelers in Frankrijk, als men wel over hen te vreden is, betoont. Het stuk geëindigd zijnde, schreeuwt het parterre, bij voorbeeld: Talma! Talma! Het gordijn wordt dan weder opgehaald, de gevraagde persoon komt op, maakt eene buiging, en wordt door een sterk handgeklap en geroep van bravo toegejuicht.
8 Zoo ik meen in onze taal overgezet, onder den naam van de drie Gebroeders Medeminnaars.
9 De straten die in deze stad Fosses genaamd worden, zijn voorheen de stadsgrachten geweest, die bij het uitleggen van dezelven zijn gedempt geworden.
10 Joseph Vernet werd te Avignon in 1712 geboren, en stierf te Parijs in 1785. Hij heeft veel geschilderd, en de platen van zijne Fransche Zeehavens, en andere gezigten, zijn zoo algemeen bekend, dat het onnoodig zal zijn, om eene afteekening van die, van deze stad of van Marseille en Toulon hier bij te voegen.
11 Een menschenvriend en achtingwaardig Roomsch Priester, Vincent de Paul genaamd, was de stichter van deze en diergelijke huizen in Frankrijk, omtrent het midden van de 17de eeuw. Voor dien tijd verkocht men te Parijs de vondelingen in de straat van St. Landry, voor twintig sols het stuk, of men gaf ze, let wel, uit barmhartigheid, aan zieke vrouwen, om haar de melk aftezuigen.
12 De Engelschen noemen immers, in sommige van hunne dagbladen, den Fransche Keizer Napoleon un Empereur Jacobin,—welke onregtvaardigheid!
13 De meeste Koffijhuizen zijn in de wijk du Chapeau Rouge, bij de alleën de Tourny, den Schouwburg, enz. Een is ’er ook op de kaai over de beurs, dat van achteren aan het water uitkomt, zoo dat men ’er een alleraangenaamst gezigt heeft; ik ging ’er daarom dikwijls een kop koffij naar het middageten gebruiken.
14 Te Parijs zelfs leest men op sommige uithangborden en aankondiging-celen—Curassau et Anisette de Hollande.
15 Het Departement, het welke aan dat van de Gironde grenst, wordt ook Departement des Landes genaamd.
16 De herders met hun vee in de heide zijnde, hebben dezelve, naar men mij verzekerde, somtijds tot vijf voeten toe; te weten de klampen daar zij op staan, zijn zoo hoog van den grond af.
17 De schapen- en veehoederij is het voorname bedrijf van deze lieden.
18 Daar de kleeding van die lieden, en bijzonder die der mannen, zeer ongemeen is, zend ik u daar van eene naauwkeurige afteekening.
19 De oesters, die omstreeks deze stad gevonden worden, zijn zeer beroemd, vooral die, welke men groene noemt; de Franschen, om eens ter deeg te smullen, nemen dezelve voor hun ontbijt, en drinken ’er dan witten wijn, de Grave of Sauterne bij, en zulk een ontbijt vind ik ook zeer wel, om te gebruiken. De oesters van Medoc waren zelfs ten tijde van de Romeinen al beroemd, en werden, volgens Ausonius, zelfs te Rome op de Keizerlijke tafels voorgezet.
20 Die landstreek een uurtje beneden Bordeaux beginnende, strekt zich verder langs den linkeroever van de Garonne en Gironde uit, en het is naar den kant van die rivieren, dat zij het vruchtbaarste is.
21 Thans bestaat ’er eene Stereotype uitgave van hetzelve in 4 Deelen in 12mo, welke men bij Didot te Parijs, voor den ongemeen matigen prijs van 8 francs koopt.
22 Le grand Hotèl des Ambassadeurs en de Franklin, beide in de laan Cours du Jardin Public genaamd, zijn van de voornaamste en aanzienlijkste; naar ik vernam is men ’er ook zeer goed, doch het is ’er duur. Als een van de tweede klasse, genoegzaam in den smaak van dat der sept Frères, meen ik ook l’Hotèl des Asturies Fosse de l’Intendance te mogen aanprijzen.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
