Du Quartierbibliotheek van de negentiende eeuw

Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805

Vier en twintigste brief (1 van 2)

Parijs, 11 October.

Dingsdags den 2 dezer, ’s morgens om 6 uren vertrok ik van Bordeaux, en gisteren ben ik hier weder aangekomen, na mij een paar dagen te Tours te hebben opgehouden; zie hier mijne aanteekeningen aangaande die reis.

De reizigers van Bordeaux naar Parijs, stappen doorgaans aan den overkant van de Garonne, ter plaatse la Bastide genaamd, op den postwagen. Ik was tijdig genoeg aan het veer, doch moest ’er wel een groot kwartier wachten, omdat ’er geen schuitjes waren, zoodat ik vreesde van te laat te zullen komen; het bestuur van dit veer schijnt niet zeer naauwkeurig te zijn, want, naar ik vernam, had diergelijk verzuim wel eens meêr plaats. De bagagie wordt daags te voren in de stad op den wagen geladen. Men betaalt daar voor tot Tours £ 25- per quintaal en £ 60- de persoon voor een plaats binnen in. Buiten ons, was ’er alleen eene vrouw met een ziek kind op den wagen, zoo dat het gezelschap niet zeer mede viel. Langs een’ vrij goeden weg met kleine steentjes opgeworpen, en hier en daar wat stijgende, komt men omtrent 3 uren van Bordeaux, aan den oever van de Dordogne. Men ziet langs dien weg eenige buitenplaatsjes en landhuizen, en veel wijngaarden, waarin men drok bezig was. Deze landstreek schijnt wel bewoond. De Dordogne is hier eene aanzienlijke rivier, en daar ’er eb en vloed gaat, zeer bevaarbaar. Ondertusschen moest de wagen hier ontladen worden, om aan dezen kant te blijven staan: aan den overkant vindt men een’ anderen; dit lossen en laden houdt zeer lang op. De Franschen mogten hier en daar wel eenige van onze doorgaans zoo gnappe veerlieden overlaten komen, om met ponten en diergelijke schuiten te leeren omgaan. Aan den anderen kant een klein eind weegs landwaards in, ligt het dorpje St. André de Cubsac; dit rekent men 3 posten van Bordeaux. Hoewel het pas 10 uren was, werd ’er het middagmaal gehouden; het was maar redelijk, doch de prijs ook gering. Te Cavignac 2½ post verder kregen wij, uithoofde van den slechten weg, waarvan wij reeds een gedeelte gehad hadden, en nog een erger hebben moesten, acht paarden. De landstreek scheen hier niet zeer vruchtbaar; men ziet niet anders dan eenige wijngaarden, en hier en daar wat hout. De weg wordt hoe langer hoe slechter; de grond is tamelijk effen, maar meest onbebouwd; veel heide, waarop men niet anders dan hier en daar wat denneboomen, en eenige andere struiken ziet; de gezigten gelijken nu en dan wat naar die, welke men op sommige plaatsen in de Meijerij van den Bosch aantreft. Het steedje Montlieu, waar wij door kwamen, ziet ’er niet voordeelig uit, ’er was echter nog al eene overdekte halle. Nu waren wij in het Departement de la Charente Inferieure. Montlieu is 8½ post van Bordeaux. Het begon al duister te worden; en een half uur verder op een plaatsje Chevenceau genaamd, namen wij het avondmaal en nachtverblijf, dat nog al redelijk was.

Den volgenden morgen, om 5 uren, stapten wij weder op den wagen. De weg werd wat beter, doch de landstreek is meest heide; verder op echter wordt zij aangenamer, hier en daar boschjes, veel notenboomen, akkerland, en tusschen beide eenige kleine heuvels.

Omtrent Barbezieux begint het Departement de la Charente. Wij hielden ’er op, om het middagmaal te nemen, ondertusschen ging ik het plaatsje, dat zich nog al aangenaam opdoet, doorwandelen, doende mijn ontbijt met brood en druiven, dat ik onder weg kocht. De herberg ziet ’er hier anders zeer wel uit, doch, daar het pas negen uren ’s morgens was, en ik den vorigen avond wel gegeten had, had ik niet veel honger1. De wandelingen bij dit stadje zijn aangenaam met lindeboomen beplant; in hetzelve ziet het ’er nog al redelijk welvarende uit. Ik zag ’er verscheidene linnenwevers, men scheen ’er ook veel druiven te droogen, en, naar ik vernam, waren de kapoenen van Barbezieux beroemd. Van een oud kasteel, dat in het steedje staat, en thans tot eene gevangenis dient, wist men mij niets bijzonders te vertellen. De Onderprefect houdt hier zijn verblijf, en het getal der inwoners wordt op ruim 2700 begroot. De weg wordt goed, en de gezigten hier en daar nog al aangenaam, vooral op een hoogte omtrent 1½ uur van Barbezieux; men komt vervolgens door een eikenbosch, waarin echter weinig of geen zware boomen. Ik verwonderde mij gedurende de gansche reis, dat men in Frankrijk niet beter zorgt voor de beplanting, vooral, daar dit land zoo aanmerkelijk veel brandhout noodig heeft. Men ziet weinig bosschen, en de wegen zijn slechts hier en daar beplant. De prijs van het brandhout stijgt, bijzonder ook te Parijs, van jaar tot jaar: sinds jaren schijnt men het gebrek daar aan te voorzien, en nog vindt men ’er onbebouwde gronden, en weinig boomen langs de wegen2. Het steedje Roulet, waar wij door kwamen, ziet ’er vrij wel uit. De weg blijft aangenaam,—hier en daar buitenplaatsen en papierfabrieken met watermolens, die op beken staan.—Eenige rotsen maken geene onaardige vertooning. Men zeide mij, dat dezelve goede steengroeven opleverden. Hier omstreeks is de weg beplant, en de stad Angoulême, op eene hoogte gelegen, vertoont zich aan het einde van dezelve op eene bevallige wijze. Om 3½ uur na den middag stapten wij af aan de herberg la Croix d’Or, in de voorstad du Homo, even buiten de genoemde stad, en na het avondmaal besteld te hebben, klom ik naar dezelve; ’er is een groote halle bij de plaats de la Commune. De straten zijn ’er doorgaans naauw. Anders ziet het ’er nog al vrij welvarende uit. Men heeft hier ook een’ Schouwburg, die van buiten nog al een fraai gebouw is, hij staat op een plein, dat men Place de la Comedie noemt. Naast den Schouwburg is een zeer fraai Koffijhuis, met een tuin en ruime zaal, waarin drie billarten; ik nam daar eenige ververschingen. Uit een der kamers heeft men een zeer fraai gezigt. Van de Place de la Comedie gaat men op de gemeene wandeling, van waar men ook een schoon gezigt heeft, vervolgens van daar den wal rond. Het gezigt blijft altijd fraai. De hoofdkerk, die ik in het voorbijgaan zag, ziet ’er inwendig zeer eenvoudig uit, en levert niets bijzonders op. Den wal volgende, komt men op de Place Beaulieu, zijnde een fraaije wandeling op een’ terras, van waar men, alzoo de stad op een vrij hoogen heuvel ligt, een verrukkelijk en zeer uitgestrekt gezigt heeft. Door het dal ziet men de rivier la Charente kronkelen. Over dezelve ligt een fraaije steenen brug, en zij maakt door haren slingerenden loop verscheiden eilandjes. Verder ziet men de haven, waarin eenige schuiten lagen, en de voorstad du Homo, die zeer uitgestrekt is. Aan de andere zijde ziet men den fraaijen grooten weg, en eenige bergen in het verschiet; op dit terras, dat vrij groot is, zijn eenige lanen van lindeboomen, doch zij waren hun blad meestal kwijt; het fraaije gebouw dat men op hetzelve ziet, was voorheen een Nonnenklooster. Thans dient een gedeelte van hetzelve voor de Stadsboekerij. Omstreeks deze stad zijn verscheidene papierfabrieken, en het papier van Angoulême is door geheel Frankrijk beroemd, en wordt tot het drukken van werken van belang gebruikt3. Ik zag hier ook in het voorbij gaan een fabriek van speelkaarten. De Ingezetenen drijven veel handel in wijn en brandewijn. Het stadje Cognac, van welker beroemde brandewijnen wij zeer veel trekken, behoort ook tot het landschap Angoumois, waar van Angoulême de hoofdstad plagt te zijn. Thans is zij de hoofdplaats van het Departement de la Charente. Het getal harer ingezetenen wordt op 11,500 begroot, doch, naar men mij verzekerde, zijn de voorsteden te zamen genomen grooter, dan de stad zelve. Men zegt, dat de ingezetenen over het algemeen vrij los en ongedwongen van levenswijze zijn. De levensmiddelen, en zelfs de huishuren zijn ’er, naar ik vernam, niet goedkoop. Hier omstreeks wordt ook veel saffraan geteeld.—Dit stadje is vooral om de schoone gezigten wel der moeite waardig om te zien.

Tot onze groote verwondering, vonden wij in onze herberg, die ’er gansch niet oogelijk uitzag, een zeer goed avondmaal; de postwagen naar Bordeaux, ook aangekomen zijnde, aten wij met 12 à 15 menschen, waar onder een paar niet onaardige vrouwen waren. Onder andere spijzen zettede men ons een soort van kleine vogeltjes voor, die men in de wijngaarden vangt, en becsigues noemt; ik had ze onder weg reeds meêr gegeten, en vond ze smakelijk, wij hadden ook, voor Frankrijk, zeer lekkeren sausbaars, en overvloed van uitmuntende rivierkreeftjes, de wijn was tamelijk goed, en men had alzoo geen reden, om over den prijs (zijnde slechts £ 3–:–:) te klagen.

Deze stad heeft door de religieoorlogen veel geleden. Johannes Calvinus verpligt zijnde, om Parijs te verlaten (in 1533), nam eerst de wijk naar deze stad, en vervolgens naar Poitiers. In 1568 werd dezelve door den Admiraal de Coligny, aan het hoofd van het leger der Hugenoten genomen.

Na het avondmaal, in plaats van naar bed te gaan, stapten wij weder op den wagen, om den nacht door te rijden. Het was helder sterrelicht, en de weg zeer goed. Ik sliep tusschen beiden nog al wat, want men heeft in Frankrijk bij den nacht minder reden, om ongerust te zijn voor ongelukken dan bij ons; omdat de persoon, die de paarden leidt, op een van dezelven zit, en dus beter zien kan, dan een koetsier, op den bok zittende.

Den 4 dezer. ’s Morgens bij het opgaan van de zon, was het mistig en zeer koel, de grond tamelijk effen en de weg goed. Men ziet hier geen wijngaarden. Omtrent het dorp Chaunay, 8½ post van Angoulême, en waar wij van paarden verwisselden, begint het Departement la Vienne; hier omstreeks zag ik veel schapen, die de akkers afweiden; de boomen, die men ’er het meeste ziet, zijn noten en castagnes, hier en daar een’ enkele eik. Wij ontbeten te Couhé, 1¼ post verder, bij het riviertje la Dive gelegen; ’er is een groote hal, anders schijnt het niet veel te beteekenen; hier, en in deze landstreek, wordt veel noten-olij gemaakt.—Altijd zagen wij veel noten- en castagne-boomen, die op dezen grond, die niet van de beste schijnt te zijn, nog al redelijk tierig staan. Tusschen beide ziet men ook veel onbebouwde gronden, en de landbouw schijnt hier niet zeer ter harte genomen te worden, doch de streek kwam mij ook weinig bevolkt voor. Vivonne, 2½ post van Couhé, was voorheen een stadje; thans is het een armoedig vlek; men kan zich naauwelijks een slordiger en onoogelijker plaats voorstellen. De inwoners zagen ’er vuil en afzigtig uit, en de ellende was bijna op alle gezigten te lezen. Ondertusschen levert dit plaatsje bij het inkomen een niet onaardig en zelfs schilderachtig gezigt op. Men ziet ’er, hier en daar ruwe en naakte rotsen, de vervallen muren van een oud Klooster op eene hoogte, tegen dezelve eenige slordige woningen, lager groene beemden, door een kronkelend beekje bespoeld; welk beekje, dat men de Vonne noemt, zich een weinig verder met het riviertje le Clain vereenigt, en waar over hier eene houten brug ligt; wij verwisselden daar van paarden; ik had dus den tijd, om het op mijn gemak te beschouwen, en mij dunkt dat dit alles door de hand van een’ bekwamen meester uitgevoerd, een fraaije teekening of schoone schilderij zou zijn. De landstreek blijft, verder voortreizende, woest en onbebouwd, het weinige hout, dat men hier en daar ziet, bewijst, dat de natuur slechts behoeft geholpen te worden, omdat in eene grootere hoeveelheid voort te brengen. Naar mate dat men Poitiers nadert, wordt de landstreek aangenamer, en de weg is aan beide zijden beplant. Deze stad is wederom op eene hoogte gelegen. Wij kwamen daar omstreeks vier uren aan, en stapten af aan de herberg les Trois Pilliers genaamd. In een tuin, niet ver van deze herberg, ziet men nog eenige geringe overblijfsels van een Romeinsch gebouw, alhier onder den naam van Palais Galliën, of l’Amphithéatre bekend; het scheen van gebakken steen enz. op dezelfde wijze als dat van Bordeaux gemetseld te zijn geweest4. Van daar ging ik naar de wandelplaats, die men le Parc noemt. Het is een fraai boschje, aan een’ hoek van de stad op de hoogte gelegen, en waarin verscheidene lanen zijn; deze wandeling is bijzonder aangenaam, omdat men van de voormalige stadswallen, die dezelve omringen, een heerlijk gezigt heeft. Door een lagchend en aangenaam geschakeerd landschap, kronkelt het riviertje le Clain; ook ziet men van hier omtrent een kwartier uurs ver, eenige poorten of bogen; het zijn de overblijfsels van een Romeinsche Aquaduc. Vervolgens langs de stadswallen of muren, naar den kant van le Clain voortwandelende, heeft men het gezigt op aangename moestuinen, groene weilanden, een’ watermolen, schilderachtig gelegen, een brug, le pont Joubert genaamd, de overblijfsels van een Benedictijner Klooster, dat een fraai gebouw schijnt geweest te zijn, en een fraaije steenen brug, die ’er nog nieuw uitziet, en welke men le Pont Neuf noemt. Vervolgens komt men in een laan met Italiaansche populieren, die al eene tamelijke hoogte bereikt hebben, beplant. Van hier ziet men aan den overkant van de Clain, de rotsen, die men hier en daar voor zware vervallen muren of overblijfsels van oude gebouwen zou aanzien; tegen en in deze rotsen zijn ook eenige woningen gemaakt. Een fraai en nog nieuw gebouw met een colonnade ’er voor, langs dezen weg staande, dient, om de baden te gebruiken. Aan den eenen kant zijn de vertrekjes voor de vrouwen, en aan den anderen die der mannen. Een weinig verder heeft men de allerliefste en zeer romaneske wandeling, die hier la Promenade du pont Guillon genoemd wordt; ik wil trachten om ’er u, zoo goed mij doenlijk is, een denkbeeld van te geven; verbeeld u eene plaats van eene onregelmatige gedaante, door zware en digte boomen beschaduwd; het riviertje le Clain, welkers boorden hier en daar met struiken begroeid zijn, stroomt ’er langs; aan dien kant, en zelfs in het water ziet men eenige torens en overblijfsels van een oud Kasteel voor verscheidene eeuwen, door de Graven van Poitiers, en thans door de uilen en vledermuizen bewoond. In een der torens scheenen echter nog menschen te huizen, en eenige doeken, die uit de venstergaten te droogen hingen, maakten hier geene onaardige vertooning. Verder op ziet men de rotsen aan den overkant van de Clain, en aan de andere zijde, naar den kant van de stad, is een rijweg, onder water staande, en door hooge boomen, somber beschaduwd; juist kwam daar een driftje beesten en een vrouw op een ezel gezeten door, en nu was het volmaakt een schilderij in den smaak van uw beroemden stadgenoot Nicolaas van Berchem. De zon bijna ondergaande begunstigde het schilderachtige nog van dit schoone landschap. Niet ver van deze wandeling gaat men door de poort, la porte de Paris genaamd, in de stad; in de rotsen over dezelve zijn ook eenige woningen gemaakt. De stad van dezen kant ingaande, loopen de straten zeer steil; inwendig is zij meestal zoo lelijk en onaangenaam als de omstreken fraai en bevallig zijn5; naauwe, kromme en misselijk bebouwde straten; een menigte thans veelal vervallen of half verwoeste Kerken en Kloosters, en andere gothische gebouwen. De Hoofdkerk is zeer groot, en heeft misschien voor liefhebbers van diergelijke gebouwen hare schoonheden. Voorbij een straat gaande, die men la rue Neuve noemt, zag ik een pyramide met een basrelief in den muur, op den hoek van dezelve. Eenige vrouwen die daar omtrent aan haar deur zaten, verhaalden mij met een soort van eerbied, dat het een gedenkteeken was van een groot wonderwerk door den Heiligen Hilarius, Bisschop alhier, gedaan. In het begin van de omwenteling was het, hier digt bij staande, om ver geworpen, en nu had men het sedert eenigen tijd weder opgerigt, en in den muur gemetseld. Hoewel Calvinus in deze stad nog al wat aanhangers gemaakt heeft, thans is ’er het getal der Protestanten niet groot, en de Roomschgezinden zijn ’er meestendeels bijgeloovig en onverdraagzaam6. Voor de omwenteling waren hier omtrent 50 Kerken en Kloosters. Deze Stad heeft, ten tijde van de religieoorlogen, bloedige tooneelen opgeleverd; de Maarschalk St. André, dezelve ingenomen hebbende, gaf ze, om zich op de Protestanten te wreken, aan de plundering en baldadigheid zijner soldaten over; de gruwelen, die aldaar toen gepleegd werden, zijn allerafgrijsselijkst. De getergde en vervolgde Protestanten moorden en martelden wel niet, maar begingen vele buitensporigheden in het plunderen der Kerken, en het verwoesten van verscheidene merkwaardige gedenkteekenen en kunststukken.

De markt is eene ruime plaats; doch dat is ook al wat men ’er van zeggen kan. Na den Schouwburg, die deze avond speelde, vragende, wees men mij naar een achterstraatje. De ingang van het huis waar in de zaal was, was zoo laag, dat de schildwacht, die ’er naast stond, boven de deurstijlen uitkwam. Inwendig was het nog al redelijk; men vertoonde ’er de Tartuffe van Molière; waarlijk dit stuk kwam hier niet te onpas! Over het geheel werd het nog al redelijk wel gespeeld, en ’er waren tamelijk veel aanschouwers, waar onder echter veel militairen. Poitiers is een groote stad, doch naar evenredigheid slecht bevolkt; zij bevat nog geen 18,300 inwoners. De hoofdplaats van het Departement de la Vienne zijnde, is zij de zetel van de Prefecture; ook is ’er een Bisdom. Voorheen was zij de hoofdstad van de Provincie Poitou, en is over Angoulême, enz. 33¾ post van Bordeaux. De handel is ’er niet aanmerkelijk. ’Er zijn eenige fabrieken van kousen, sommige wollestoffen, krep, enz. Bij het avondmaal, dat vrij goed was, werden wij lastig gevallen door verscheidene koopvrouwen in messen, scharen en dergelijken. Nu, die in Frankrijk reist, mag zich wel van een mes voorzien, want men komt in verscheidene herbergen, waar men wel eten en drinken, lepels en vorken, maar voor ieder geen mes vindt, en men is daar gewoon, dat de reizigers die mede brengen. De levensmiddelen zijn hier vrij overvloedig en niet duur. Wij betaalden dan ook voor het avondmaal en slapen maar £ 3–:–: Den 5 dezer, ’s morgens om 5½ uur vervolgden wij onze reis. De weg is goed en vrij aangenaam. Aan de linkerhand heeft men rotsen, en aan de regter een fraai gezigt over de beemden langs de Clain, heuvels, wijngaarden, enz. In en omtrent het dorp Jaulnais, waar wij door kwamen, zag ik eenige vrouwlieden met een soort van kappen, bijna als die der Nonnen op; naar ik vernam, is het de dragt van die streek. Niet ver van den weg aan de linkerhand, zag ik op eene hoogte de overblijfsels van een Kasteel, dat aanmerkelijk moet geweest zijn, zijnde nog heden een groot en hoog gebouw; men zei mij, dat het la Tour de Beaumont genaamd was, en dat men hetzelve op een’ afstand van 22 uren zien kon. Ons gezelschap was vermeerderd door twee Gedeputeerdens van Poitiers, om bij de aanstaande krooning van Keizer Napoléon tegenwoordig te zijn; een van die Heeren had eene lieve vrouw, en in ’t geheel scheenen het hupsche en geschikte menschen, dit maakte het onderhoud nog al levendig en aangenaam. Een dorp, waar wij doorkwamen, gaf door zijn’ zonderlingen naam geen gunstig denkbeeld van deszelfs inwoners; het heet la Tricherie (de bedriegerij); verscheidene vrouwen kwamen ’er ons vruchten te koop aanbieden. De landstreek is bij aanhoudenheid vrij aangenaam.

Poitiers.

Te Chatellerault, 5 posten van Poitiers, kwamen wij omtrent 11 uren voormiddag aan, en vertoefden ’er om het middagmaal te houden. De rivier la Vienne, waarmede zich de Clain, een eindje boven deze stad vereenigt, is hier bevaarbaar, en ’er ligt een fraaije steenen brug, welke men van dezen kant in de stad komende, overgaat; dezelve is door den Hertog de Sully, vriend van Hendrik den IV., en een der voorname steunen van de Protestanten, gesticht. Deze rivier is, naar ik vernam, tamelijk vischrijk; wij hadden een snoek op tafel van wel 12 à 15 ponden, en deze zijn in Frankrijk zoo algemeen niet, als bij ons; even zoo min als de goede boter, die hier echter ook zeer lekker was. Gedurende den maaltijd werden wij weder bestormd door eene menigte koopvrouwen in messen, scharen, pennenmessen, enz. Zij hielden op eene bedelachtige wijze aan, om wat te verkoopen, en werden het somtijds oneens onder elkander. De messenmakerij is het voorname bedrijf van de ingezetenen, en zij hebben ’er nog al wat in te doen, leverende daar van aan Parijs, en meêr andere plaatsen, behalve het geene zij den reizigers verkoopen of opdringen. Hun werk is fraai op ’t oog, doch de hoedanigheid van het staal is, zegt men, niet best, en dat van Moulins wordt voor beter gehouden. Deze landstreek levert ook het ijzer, dat hier verwerkt wordt, op. De omstreek van deze plaats scheen aangenaam en vruchtbaar. Door den zwaren regen werd ik veel belet, om hier te wandelen, echter zag ik ’er eenige gnappe huizen, en het ziet ’er over het algemeen vrij wel uit. Het getal der ingezetenen wordt op ruim 7700 begroot. In de rivier voor de stad lagen verscheidene schuiten.

De weg loopt vervolgens door een aangenaam landschap, latende de rivier aan de linkerhand. Aan beide zijden op een’ zekeren afstand van den weg, ziet men groene heuvelen, en hier en daar buitenverblijven. Vooruit ziet men in de verte een soort van vrij hoogen toren. Welhaast naderden wij denzelven: het is een steenen kolom, waar een wenteltrap omslingert, staande op het moderne Kasteel les Ormes genaamd, en behoorende aan den Heer Voyer d’Argenson. Het is een groot en prachtig gebouw, met uitgestrekte tuinen en boschjes; terwijl men van paarden verwisselde, hadden wij den tijd, om hier eens rond te loopen. Aan den anderen kant van den weg zijn de stallen, en dit alles gelijkt naar een Vorstelijk verblijf. Het ligt 2½ post van Chatellerault. Wij reden nog een goed eind weegs langs de muren, die de aangelegen erven van dit landgoed omringden;—deze landstreek schijnt zeer bewoond, en wij kwamen door eenige dorpen over eene brug, over de kleine rivier la Creuse liggende7 en langs eenen beplanten weg, omtrent 7½ uren te St. Maure, een steedje, waar wij ons avondmaal en nachtverblijf moesten houden; hebbende heden 9½ post afgelegd. Voor den gewonen prijs van £ 3–10-: hadden wij een vrij goed avondmaal en ligging, doch konden van de laatste niet lang gebruik maken: alzoo wij den 6 dezer, ’s morgens om 3 uren, weder voort reisden. Het had wat gevrozen, en deed zulks nog, toen wij afreden. De zon ging helder op, en het was een schoone herfstmorgen. Langs den weg stonden eenige ijpenboomen; men was bezig met de bladeren van dezelve aftestroopen; zij dienen tot voeder voor het vee, niet omdat het gras of ander voedsel thans buitengewoon schaars is, maar omdat men meent dat deze bladeren goed en gezond zijn, inzonderheid voor de koeijen, welke dezelve ook gaarne lusten. Ik geloof toch, dat indien men hier even zoo als in Bataafsch en Fransch Braband, rapen en spurrie zaaide op de zoogenaamde korenstoppelen, zulks veel voordeeliger en beter zou zijn; doch zoo als ik reeds gezegd heb, over het algemeen is ’er aan den landbouw in Frankrijk nog veel te verbeteren. Hier en daar zijn wel Landbouwkundige Genootschappen, welke bespiegelingen maken, prijsvragen uitgeven, en boeken schrijven; doch de landman kan dikwijls niet lezen8, of zoo hij het al kan, heeft hij ’er den tijd en den lust niet toe, en blijft ook liever zoo maar op den ouden voet voortslenteren, daar eene nieuwe behandeling doorgaans in het begin meerder moeite, althans meerder oplettenheid, en somtijds ook eenige onkosten veroorzaakt. Landbouwkundige Genootschappen zijn dan wel goed, en zelfs zeer goed, doch zij moesten, mijns bedunkens, de practijk bij de theorie voegen, en ieder genootschap moest ook tevens eenige morgens akkerland onder den ploeg hebben, tot bosch aanleggen, en van tijd tot tijd die streken gaan bezoeken, welke het meeste verbetering behoeven, aldaar eenigen tijd verblijven, en met de landlieden en hunne gebruiken kennis maken. In Duitschland reizende, zag ik daar op sommige plaatsen Predikanten die in der daad boeren waren; doch zij hebben met dat al doorgaans eene beschaafde opvoeding en opleiding tot meêr andere wetenschappen dan de Godgeleerdheid alleen, gehad. Men vindt daar zeer hupsche en achtingwaardige Patriarchen onder; en welke zich niet door hunne opgeblazenheid, maar alleen door meerdere deugd en eenvoudige kunde van hunne gemeente trachten te onderscheiden, en alzoo bij dezelven zeer bemind zijn. Zou men niet weldoen, van dit voorbeeld aangaande onze Predikanten, Pastoren en Dorpschoolmeesters te volgen; was het niet nuttiger dat de eerstgenoemden zich op de Hooge Schole, op de studie van den landbouw, dan op die der Hebreeuwsche en Chaldeeuwsche talen toeleiden, en zou men bij het doen der examens, geene bewijzen van hunne kundigheid hier omtrent kunnen vorderen, gelijk ook van de Dorpschoolmeesters? Ik deel u deze aanmerking mede, omdat mij dunkt, dat gij dienaangaande wel eens een voorstel bij de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen zoudt kunnen doen. Doch keeren wij tot mijne reisbeschrijving weder terug. Langs een’ goeden weg, en door een aangename landstreek, kwamen wij, om de koude meestal wandelende, te Montbazon, een niet onaardig stadje, en dat een welvarend voorkomen heeft. Bij hetzelve ziet men de overblijfsels van eene oud Kasteel, en een fraaije steenen brug over de kleine rivier l’Indre. En nu komt men aan de bekoorlijke toegangen van Tours; van de hoogte heeft men een verrukkelijk gezigt op dezelve, en de aangename landouw, waarin zij gelegen is. Daar de wagen om eene brug, welke men herstelde, verpligt was een’ kleinen omweg te maken, verkozen wij, om langs den gewonen weg, zijnde een fraaije laan, een groot kwartier uurs lang, naar de stad te wandelen; aan het eind van deze laan komt men door een mooi ijzer hek in dezelve en die hier nooit geweest is, staat verwonderd over het fraaije, nette en regelmatige van dit gedeelte van de stad: zijnde een vrij lange en breede straat, aan beide zijden met verheven en wel gestraatte voetpaden, en zeer fraaije huizen van gehouwene steen, in eene geregelde en sierlijke order gebouwd. Wij kwamen hier om 9½ uur ’s morgens aan. Tours is, langs den weg dien wij gekomen waren, 48¾ post van Bordeaux. De postwagen vertoeft ’er, om het middagmaal te houden, en ik voornemens zijnde, om hier een paar dagen te blijven, nam mijn intrek in het Hotèl d’Espagne, hetzelfde, waar de passagiers van den postwagen spijzigen.

Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.