Adriaan van der Willigen · Reize door Frankrijk · 1805
Vier en twintigste brief (2 van 2)
De fraaije straat, waarin verscheidene mooije winkels en Koffijhuizen zijn, doorgaande, komt men regt over dezelve aan een der schoonste steenen bruggen van Frankrijk over de Loire, die hier vrij breed is, gelegen; zij is niet boogsgewijze maar plat (horisontal) gebouwd, en rust op 15 bogen, waar van ’er door den ijsgang in de winter van 1790, vier verwoest zijn; dit gedeelte is in hout weder hersteld, doch thans is men bezig om hetzelve weder in zijnen vorigen staat te brengen. Eer dat men van den kant van de stad op de brug gaat, heeft men eene fraaije plaats, waarop aan den eenen kant het Stadhuis, en aan den anderen de voorgevel (facade) voor een gebouw, in denzelfden smaak, om eene regelmatige gedaante aan deze plaats te geven; dit laatstgenoemde gebouw staat al sedert verscheidene jaren onvoltooid. Wat verder, aan beide zijden, zijn terrassen, die men met eenige trappen beklimt; zij zijn met eenige rijen jonge boomen beplant, en langs dezelven zijn op eene regelmatige wijze een groot aantal kleine winkels gemaakt, om, ten tijde van de kermis, tot kramen voor de Kooplieden te dienen. Aan het eind van deze terrassen zijn fraaije getimmertens, dienende voor Koffijhuizen; van deze terrassen langs de plaats tot aan de brug, zijn steenen leuningen (balustrades), waarop eenige groote bloempotten (vases) van wit marmer staan. Op de brug zelve, heeft men een allerschoonst gezigt, op een gedeelte van de stad, en een lange dreef met populieren beplant, aan het eind van de kaai, de met boomen beplante eilanden in de Loire, en de heuvels, wijnbergen, buitenplaatsen en dorpen aan den overkant.
Na den middag ging ik eene wandeling buiten de stad aan den overkant der rivier doen; de landstreek is hier allerliefst, en het is niet zonder reden, dat men het voormalig Touraine, waar van Tours de Hoofdstad was, den tuin van Frankrijk (le Jardin de la France) noemde. In de heuvels langs de rivier, heeft men hier en daar kelders gemaakt, dienende tot bergplaatsen voor den wijn, en verder op hebben zelfs de menschen woningen in de rotsen. Op de hoogtens klimmende, heeft men hier en daar zeer fraaije en schilderachtige gezigten, vooral ook bij de voormalige Abdij Marmoutier, in de voorstad St. Symphorien, aan den regteroever van de Loire gelegen, en welke Abdij voor de oudste van het westen gehouden wordt; als zijnde door St. Martin de Tours in 371 gesticht9; zij is echter nog niet vele jaren geleden op eene prachtige wijze bijgebouwd. De rotsen, oude muren, enz. maken hier eene zeer romaneske vertooning. Verder landwaards inwandelende, zag ik veel wijngaarden, en men was hier en daar nog drok met den wijnoogst bezig. De wijnen hier omstreeks, vooral die van Vouvrai, hebben nog al eenigen roem, en worden over Nantes ook wel naar ons Vaderland gezonden, waar zij onder den naam van Tours-wijnen bekend zijn. Deze landstreek levert ook vele vruchten en vooral pruimen op; de laatstgenoemde worden in eene groote hoeveelheid gedroogd, en maken een’ voornamen tak van koophandel uit10. In de Meijerij van ’s Bosch wonende, heb ik ook meêr dan eens van die vruchten, die dikwijls zeer overvloedig zijn, laten droogen; en bevonden, dat, indien ’er behoorlijke zorg voor gedragen wordt, men die bij ons ook al zeer goed kan hebben. In Gelderland is dit ook nog al gebruikelijk, doch over het algemeen maakt men anders van het aankweeken en droogen van deze gezonde vrucht bij ons niet veel werk, en wij moeten die ook al weder veel van vreemden krijgen11.
Den 7 dezer, ’s morgens vroegtijdig uitgaande, vond ik het koud; het had dezen nacht weder een weinig gevrozen. Buiten het ijzeren hek, waar wij in gekomen waren, heeft men aan beide zijden ook beplante wandelingen; doch de boomen zijn nog zeer jong. Den wal omgaande, zag ik verscheidene moestuinen, waarin de groentens zoo goed stonden, dat ik ze maar zeldzaam zoo in Frankrijk gezien heb. De wandeling door de Italiaansche populieren laan12 langs de rivier, welke meêr dan een kwartier uurs lang is, is zeer aangenaam. Van daar te rug komende, zag ik op de kaai, le Quai du vieux pont13 genaamd, een oude sterkte met torens, en meende de overblijfsels van muren, daar hetzelve opgebouwd was, voor Romeinsch werk te moeten erkennen; zijnde op dezelfde wijze gemetseld als het zoogenaamde Palais Galliën te Bordeaux, en te Poitiers. Deze overblijfsels van muren strekken zich een eindje langs deze kaai uit, en vervolgens in de stad tot aan het Aartsbisdom. Dit Aartsbisdom schijnt een fraai gebouw; boven de poort van hetzelve las ik Musée; doch vernam tevens, dat men thans bezig was met hetzelve naar een ander gebouw te verplaatsen, alzoo zijne Hoogwaardigheid de nieuw aangestelde Aartsbisschop, zich hier had neder gezet. De Hoofdkerk, die hier bijstaat, is een trotsch Gothisch gebouw, pronkende met twee torens; het is ook, zoo men wil, door den reeds genoemden St. Martin14 in de 4de eeuw gesticht; ’er plagt een boekerij bij dezelve te zijn, waarin zeer oude en merkwaardige handschriften, op een soort van lessenaars, aan ketenen vastgeklonken lagen. Merkwaardige beelden of schilderijen zag ik in deze Kerk niet, maar het geen ik zonderling vond, was dat de vloer voor en achter verheven gemaakt was: zoo dat men ’er met eenige trappen opklom, en naar het midden, waar het groot altaar stond, afhelde; even eens als een staanplaats of parterre in een’ Schouwburg. Men ziet duidelijk, dat dit niet aanvankelijk, maar eerst in latere tijden gemaakt is.
Ik herinnerde mij, van kort voor mijn vertrek van Parijs, aldaar in de vergadering van een Genootschap van Geletterden en Kunstenaars, genaamd Société Philotecnique te hebben hooren spreken van een overblijfsel der oudheid, dat omstreeks deze stad nog moest bestaan, en dat naar het gevoelen van oudheidkundigen, een tempel der Druïden zou geweest zijn15; om dien aangaande nader onderrigting te bekomen, vervoegde ik mij bij den opzigter (conservateur) van het Museum alhier, die de vriendelijkheid had van mij de plaats, alwaar het bestond, naauwkeurig te beduiden. Het Museum kon ik niet zien, omdat, men bezig met verhuizen zijnde, alles nog overhoop lag; doch ik vernam van gemelden Heer, dat deze verzameling meestal bestond uit eenige schilderijen, beelden, enz. die men in de Kerken en Kloosters had gevonden, benevens eenige weinige oudheden. Ik meende dan te moeten besluiten, dat, indien ’er vooral onder de schilderijen stukken van den eersten rang geweest waren, men dezelve denkelijk naar de galerij van Parijs zou hebben overgevoerd, en ik begreep wel, dat ik door dit Museum niet te kunnen bezigtigen, weinig verloor16.
| A Inwendig gedeelte. B Voorportaal. | A Achterste Deksteen. B Middelste Deksteen. C Deksteen aan den kant van den Ingang. |
Vroegtijdig gegeten hebbende, haastte ik mij, om den tempel der Druïden te gaan opzoeken, daar dezelve omtrent twee uren van de stad afgelegen is. De hoogte aan den anderen kant van de Loire, tegen over de brug la Tranchée genaamd, opklimmende, wandelde ik langs een’ vrij aangenamen weg, tot het Dorp la Membrolle, en nam, hetzelve door zijnde, links den weg naar het Kasteel le Plessis les Tours17; het geen nog een goed eindje is; eer men aan dat Kasteel komt, staat de vermeende Druïdentempel (bij de landlieden in deze streek onder den naam van Grotte, of Maisson des Fées bekend) aan het eind van een akker, aan de regter hand; een landmeisje, dat ik daar omtrent ontmoette, wees mij denzelven aan. Het is een langwerpig vierkant van onmatig groote ruwe steenen gemaakt; acht van dezelven over eind staande, maken de zijmuren rondom uit; zij zijn, hoewel zeer ongelijk, naar gissing 2 à 3 voeten dik, 5½ à 6 hoog boven den grond, waar zij een weinig in stonden, en van onderscheidene breedte; de negende steen aan den ingang staande, en die met een andere die dwars in de zijwanden geplaatst is een soort van voorportaal maakt, is kleiner: dit soort van gebouw is gedekt door drie steenen, die nog grooter en dikker zijn dan de anderen18. Ik klom ’er boven op, om denzelven aftredende te meten; die aan den kant van den ingang, is ruim 5 treden in de breedte van het gebouw en 4 lang; de middelste heeft genoegzaam dezelfde breedte, doch is maar 3 treden lang, en de achterste is 4 treden breed en 3 lang; de dikte van den middelsten steen is aan den eenen kant (naar gissing) 3½ voet, en aan den anderen omtrent 5; de twee anderen zijn minder dik, hier en daar staken de deksteenen over de zijwanden uit. Inwendig was het omtrent 11 treden lang, te weten het voorportaal omtrent 3, en het overige gedeelte 8, de breedte was 3 treden; bij den ingang waren eenige boomen geplant, boven op en ter zijde groeide hier en daar een weinig mos en gras. De steenen van eene grijsachtige kleur zijn van de soort, die in de steengroeven hieromstreeks gevonden wordt; zij schijnen in ’t geheel niet bewerkt, maar, zoo als zij uit die groeven gekomen zijn, hier geplaatst. Ondertusschen moet het geen geringen arbeid gekost hebben, om zulke verbazende zware brokken hier na toe en op elkanderen te krijgen; en zij, die dat gedaan hebben, moeten toch, dunkt mij, eenig denkbeeld van de werktuigkunde gehad hebben; hoe zeer het schijnt dat zij geen Steenhouwers of Bouwmeesters geweest zijn. Mijne kundigheden niet toereikende zijnde, om te beslissen in hoe verre het denkbeeld, dat dit gebouw een tempel of offerplaats der Druïden zou geweest zijn19 al dan niet gegrond is, zal ik hier alleenlijk bijvoegen, dat ’er in Frankrijk meêrder gelijke opgerigte steenen gevonden worden, onder anderen in het Departement l’Aveiron; doch zij zijn veel kleiner en bestaan doorgaans slechts uit vier steenen, namelijk drie rondom en een boven op. Volgens Monteil, Hoogleeraar in de Geschiedkunde, die een beschrijving van dat Departement in het licht heeft gegeven20, zouden ’er na bij herhaling te hebben gegraven, lijkbussen, wapenen en gedenkpenningen in gevonden zijn, waarom hij waarschijnlijker vindt, dat het gedenkteekens van grafsteden zijn. Ik vroeg ’er een landman, hier omstreeks wonende, na, doch hij zeide ’er niets anders van te weten, dan dat hij wel van zijn’ grootvader had hooren zeggen, dat het sedert eeuwen bestond; ondertusschen kon ik wel merken, dat hij ’er een bovennatuurlijk denkbeeld aan hechte zoo als dit ook uit de benaming van Grotte de Fées blijkt; en ik houde mij verzekerd, dat ’er de boer niet gaarne een nacht alleen in doorgebragt zou hebben. Ongetwijfeld, indien het niet zoo stevig was, zou het lang verwoest geweest zijn; doch dat zou niet gemakkelijk genoeg gaan, om ter sluips te kunnen geschieden.
Langs een’ anderen vrij aangenamen weg, voorbij akkers en wijngaarden, keerde ik weder naar Tours terug. Het gezigt dat men boven aan den weg la Tranchée, staande over de brug, door de fraaije straat van Tours, en vervolgens door de regte laan, tot tegen de andere hoogte, heeft, is schoon.
’s Avonds in een Koffijhuis gaande, vond ik daar wel 30 menschen bezig met lotto-spelen; ieder tuurde aanhoudend op de kaarten, die hij voor zich had liggen, terwijl de hospes de nommers oplas;—welk een ellendig tijdverdrijf! ook was het hier voor iemand, die niet mede speelde, niet om uit te houden.
Het vervolg en slot van mijn reisverhaal, zend ik u bij eene volgende gelegenheid.—Vaarwel!
1 Te Parijs en in de voorname steden heeft men thans de gewoonte, om maar twee maaltijden daags te houden, te weten het ontbijt om 10, 11 of 12, en het middagmaal om 4, 5 of 6 uren. Te Bourdeaux was het doorgaans 4½ uren eer wij aan tafel gingen.
2 En onze Turfveenen zullen die eeuwig duren?—Ondertusschen wordt ook bij ons het aanleggen van bosschen verwaarloosd, en het is als of men meent, dat men heden planten en morgen kappen kan. In Frankrijk is de turf genoegzaam niet bekend; men maakt ’er toch eene soort van turven van de run, die de looijers gebruikt hebben.
3 Ook maakt men bijzonder veel werk van ons fraai papier (papier de Hollande) en de boeken daar op gedrukt, moet men duur betalen. Ons postpapier is te Parijs, en elders in Frankrijk zeer veel in gebruik; en wij zelve laten, ô schande! nog Engelsch papier inkomen!
4 Men leest hier voor een Koffijhuis: Caffé des Antiquités Romaines of iets diergelijks.
5 Zie het bijgevoegd gezigtje.
6 Een aanzienlijk burger dezer stad, zijnde een redelijke Roomschgezinde, bevestigde mij zulks, en bragt dien aangaande eenige voorbeelden bij, terwijl ik met dien man een paar dagen op reis was.
7 Deze rivier scheidt hier het Departement de la Vienne van dat van l’Indre et Loire. Aan dezelve, omtrent anderhalf uur van de brug, ter regterzijde als men van Poitiers komt, ligt een steedje dat la Haye, even eens als ons ’s Gravenhage, in het Fransch genaamd wordt. De beroemde René Descartes, die ook lang in ons Vaderland gewoond heeft, werd aldaar den 31 Maart 1596 geboren.
8 In Frankrijk, zoo wel als bij ons, treft men vele landlieden aan, die niet lezen of schrijven kunnen.
9 Het ware te wenschen, dat zoo vele Pausen, Bisschoppen en andere Geestelijken der Roomsche Kerk, altijd den geest van verdraagzaamheid van dien Heilige hadden nagevolgd en nog navolgden; want men vindt van hem aangeteekend, dat hij, in de 4de eeuw levende, weigerde, om gemeenschap te hebben met de Bisschoppen, die den van ketterij beschuldigden Priscilianus ter dood wilden veroordeeld hebben.—Zulk een Heilige behoorde niet gelijk gesteld te worden met een’ Dominicus en diergelijke afschuwelijke vervolgers.
10 Zij worden veel in kleine nette mandjes en ook in kistjes verzonden, en Pruneaux de Tours genaamd.
11 Ieder klaagt thans bij ons over den slechten tijd, en waarlijk niet zonder reden;—de Patriotten krijgen van velen de schuld, doch daar zit de knoop niet—geen land is ’er misschien afhankelijker van de omstandigheden dan het onze, dit moeten wij trachten te verhelpen, zoo veel mogelijk onze behoeften tot het geen onder ons bereik is bepalen, en maken, dat wij geen honger behoeven te lijden, als men ons de zee betwist.
12 Zoude deze fraaije en vooral op lage gronden weelderig groeijende boomen, langs onze weilanden geplant, geen dubbel nut doen; vooreerst door het voordeel, dat zij de eigenaars zouden aanbrengen, zonder voor het gras hinderlijk te zijn, en ten tweede door de schaduw, die zij het vee zouden bezorgen?
13 Kaai van de oude brug, van welke brug men nog eenige overblijfsels in de rivier ziet. De ingang van de stad door een poort was, toen over dezelve en bij deze sterkte.
14 Van St. Martin sprekende, moet ik u het volgende nog vertellen: die Heilige bij de eerste Christenen onder de Gaulen, in een groot aanzien zijnde, wijdde Clovis, grondlegger van de Fransche Monarchie, hem, na dat hij reeds verscheidene jaren overleden was, een paard, waarop die gelukkige geweldenaar reeds verscheidene veldslagen gewonnen had, gevende hetzelve aan den opvolger en verdere discipelen van den opgemelden heilige; doch wilde het naderhand, misschien om nog meerdere overwinningen te behalen, weder terug hebben, en bood ’er 100 stukken gouds voor; men scheen hier niet tegen te hebben, doch ziet het paard wilde geen’ voet verzetten; en was, in weêr wil van de zweep, sporen en zelfs de haver, die men het aanbood, maar van de plaats niet aftebrengen. Clovis meenende, dat de verstorven heilige met de geboden som, voor de Kerk, geen genoegen nemende, hem die poets speelde, bood meêr en meêr, tot vijfmalen toe, eindelijk neemt het paard een’ sprong en galoppeert met zijn Majesteit de Kerk (want daar gebeurde het geval) uit; en nu riep de menigte, die dit had aangezien: ô Wonderwerk!—En hoe denkt gij dat zich dit had toegedragen?—zeer eenvoudig: men had het paard gezet op een houten vloer, die in deze Kerk gemaakt was, en hetzelve door middel van vier schroeven, die in de ijzers kwamen, daarop vastgemaakt; zoodra ’er geld genoeg geboden was, draaiden eenige Geestelijken, (want aan anderen hebben zij zekerlijk hun geheim niet vertrouwd) onder die vloer verborgen, de schroeven los,—en zie daar een wonderwerk.—Zouden de meesten van die soort niet op diergelijke wijze geschieden?
15 Vaux de Launay heeft in de zitting van dat Genootschap van den 19 Messidor an XII. (8 Julij 1804) daar over een Vertoog gedaan; doch het is tot nog toe, voor zoo verre mij bekend is, niet gedrukt.
16 Door dezen Heer werd ik ook in mijn gevoelen aangaande de overblijfsels van Romeinsche muren alhier, waarvan ik hier voor gesproken heb, bevestigd.
17 Lodewijk de XI, die veel smaak vond in dit oord, bouwde hetzelve, bragt ’er een gedeelte van zijn leven op door, en overleed ’er in 1483, in den ouderdom van 60 jaren. Hij was de eerste die den tijtel voerde van allerchristelijksten Koning (Roi tres chretien).
18 Ik schets de gedaante hier met de pen, zoo goed mij doenlijk is af, om ’er u een denkbeeld van te geven, te meêr, omdat ik niet weet dat ’er eene afteekening of naauwkeurige beschrijving van bestaat.
19 De Druïden waren Priesters en Regters onder de oude Gaulers; tot hunne Godsdienstige plegtigheden behoorden de afgrijsselijke menschenoffers; ook hadden zij eene soort van eerbied voor een bijgewas op de eikenboomen (Fiscum), en sneden het op eene plegtige wijze met een gouden sikkel af.
20 Description du Departement de l’Aveiron, par A. A. Monteil etc. Paris Fuchs et Desenne an X.
Herkomst van de tekst: de uitgave van A. Loosjes, Haarlem, 1805. Spelling ongewijzigd.
